Recent

Duizendnegen

Met dodelijke precisie benaderden de hoeken van de treden de negentig graden. Met elke stap omhoog zette ik mijn voet even ver naar voren. Het hout kreunde onder mijn gewicht, een diepe, lijdende jammerklacht, zelfs al had ik mijn zachtste sokken aan en plantte ik slechts mijn tenen neer. Opstandig veranderde het oppervlak naar zacht fluweel en naar schuurpapier, dat zelfs het scheerapparaat dat ik bij me droeg niet tot stoppels kon reduceren. Eelt vormde zich op mijn voetzolen, maar ik klom, mijn tenen openhalend aan de scherpe randen. Ik prees mezelf gelukkig dat er geen sterren vielen. In plaats van direct voor een trapleuning te kiezen, zou ik teveel gaan twijfelen tussen dat en een lonkend glas water. Al met al zou ik tienmaal langzamer vooruit komen.
De trap werd steiler, en in plaats van soms twee treden in één keer te kunnen nemen moest ik me dikwijls aan de rand van de volgende optrekken om hogerop te komen. Van mijn vingers droop bloed, rood, een lichte tint als ik ze aan het oppervlak legde waar ze door een felle lamp beschenen werden, een donkerdere tint als ik ze veilig in de schaduwen de wanden liet aftasten.
Elke tree was genummerd, alleen de getallen die door twaalf deelbaar waren kon ik niet in de telling terugvinden. Waar het nummer zich had moeten bevinden was alleen leegte, een zwart gat dat lonkte. Het leek te roepen om erkenning. Zodra ik die niet gaf leek het me te verwijten dat ik net als elk ander getal was, door het in zijn zelfmedelijden te laten verdrinken.
Ik sprak geruststellende woorden maar bracht alleen maar hatelijke, rauwe klanken voort. De primitieve geluiden deden me denken aan een offer dat ik vrijwel vergeten jaren had uitgevoerd. Ik had mijn tamme rat op een plank op zee gezet, om zo de laatste eer aan een al varend gestorven vriend te betonen. Het was mijn derde dode.

Duizendnegen drukte zwaar op mijn geweten. Het verweet me iets anders dan mezelf te zijn, wat vooral zijn wonden achterliet omdat het de waarheid was. Door de ene kant beïnvloed, door een andere zijde getrokken bleef ik mijn voeten op het midden van de trap neerzetten. Het was een nooit bevredigende middenweg, niet verguld, maar door kleverige modder bekleed.
Een aantal stappen verder stond ik voor een muur die ik alleen door een reuzensprong zou kunnen overwinnen. Ik ademde diep in en streelde de wand, in de hoop dat hij in hoogte zou afnemen. Nogmaals ademde ik in, nu hopend dat ik lichter zou worden, zou kunnen zweven en mijn reis zo minder zwaar kon maken. Alweer ademde ik in en daarmee bereikte ik mijn maximum. Ik viel, eerst aarzelend en daarna, me meer overgevend aan de zwaartekracht, steeds sneller. Van de troon gestoten, juist omdat ik zo hard mijn best had gedaan zo hoog te komen.

Ruw en plots was de onderbreking van mijn val. Verbaasd keek ik naar een klein meisje, dat met een uitgestoken handje mijn arm vast had gepakt. Onschuldige groene ogen staarden terug, haar korte, bruine haar viel in krulletjes van haar hoofd. Een paar ademhalingen later was ze kaal en nog een ogenblik later begon haar haargroei terug te komen, nu rood als het bloed dat nog steeds van mijn handen droop. Het kon geen kwaad haar aan te halen, haar haarkleur veranderde er niet door.
Ze kroop tegen me aan en probeerde in me te kruipen, me omhelzend en naar zich toe trekkend. Ik voelde dat ze een poging deed mijn gedachten tot tekst op een vel papier te reduceren, hoe ze, trommelend op mijn slaap, elke verandering in denkpatroon trachtte waar te nemen, te analyseren en categoriseren en in een gigantische databank op te slaan, naast de gegevens die ze van eerdere gevallenen had afgetroggeld.
Zo dichtbij als ze was, zo vertrouwd, zo onwetend was ik. Pas op het laatste moment voelde ik de inbraak aan, en stootte haar van me af, gedwongen om het voor mij meest intieme contact in tijden bij gebrek aan vertrouwen af te wijzen.
Ze trachtte botter binnen te komen en haar rode haar rees statisch, in punten van haar hoofd. Met brute kracht inbeukend op mijn zwaktes probeerde ze zich toegang te verschaffen tot mijn innerlijk, om zo mij te kunnen sturen al naar gelang haar uitkwam. Haar duimen op mijn blauwe plekken en haar oplichtende blik priemend in mijn blauwe, lege, ogen, me op mijn knieën dwingend en open brekend.

Ontdaan van een persoonlijkheid ontsnapte er een schaterlach aan mijn lippen. De precieze reden was me niet duidelijk, maar diep in me dwong een overweldigende verplichting vrolijk te zijn zich aan me op. Mijn ik boog en zwichtte, danste, groette mensen op straat, zong kinderliedjes, werd vriendelijk gevonden en, boven alles, walgde hij van zichzelf.

Comments are Disabled