Recent

Het dichtst bij de natuur

“Nu alleen nog deze zeepkist aan de grond krijgen.” Lucard keek opzij naar zijn co-piloot, Andre, die met een bleek gezicht trachtte zijn ademhaling weer onder controle te krijgen. Ze waren net overvallen door een onweersbui boven Kopenhagen.

De weersvoorspellingen waren goed geweest voor de lijnvlucht van Amsterdam naar Helsinki. Beter kon niet bijna, goed zicht, geen wolken. Vanuit het niets was er een bliksemflits. Lucard had nog naar de lucht gekeken. “Er is hier niets te zien!” had hij verbaasd uitgeroepen. Andre had geen tijd gehad om te reageren, want een tweede bliksemschicht trof hen. De cockpit werd gevuld met schelle sirenes en het geraas van donder. Twee van de vier motoren hadden het voor gezien gehouden. Op de altimeter was te zien dat het vliegtuig hoogte begon te verliezen.Even plots als het onweer gekomen was, was het weer verdwenen. De sirenes werden stil. Alle motoren hervatten hun werk.

Verdwaasd hadden Lucard en Andre elkaar aangekeken. Bij het dichtstbijzijnde vliegveld landen was de standaardrespons. Terwijl Andre Kopenhagen opbelde had Lucard de landingssequentie ingezet.

Het vliegveld had direct een baan voor hen vrijgesteld. Ze daalden, ditmaal gecontroleerd. Een routinecheck zou zeker drie uur in beslag nemen, genoeg tijd voor hen om bij te komen van de schrik. De interne communicatie moest in ieder geval hersteld worden, ze hadden geen contact kunnen krijgen met de steward.

Met een doffe bons raakten de wielen het asfalt van de landingsbaan. Er klonk flauw geklap. Andre applaudisseerde. Het toestel trilde nog even na en Lucard liet hem naar de terminal sukkelen. Motoren uit, riemen los.

Met Andre in zijn kielzog liep Lucard naar de uitgang. Hij opende de deur. Daarachter was niets. Een gapend gat. Geen steward. Geen passagiers, geen cabine. Alleen motoronderdelen kriskras over het trapveldje verspreid.

~

Luc sloot de deur en keek om naar de open haard. Glas water, glas wodka, een leren stoel om in te zinken. In het vuur smolt de wereld zachtjes. IJskappen eerst, dan kwamen de continenten en als tenslotte de oceanen verdampt waren zou de vlam doven.

Hij hield van haar, rij vier, stoel zestien, plekje bij het raam speciaal voor haar geregeld. Zodat ze bij hem zou zijn in zijn hart, in waar hij hart voor had. Moord waar hij pas later een reden voor bedacht. Redelijkheid om hem te beschermen tegen gek worden. Hij lachte hol.

Ze stond voor hem, met zijn dunne badjas omgeslagen om haar naaktheid te verbergen. IJl en dun, iets weemoedigs in de manier waarop ze haar nagels in de palm van haar hand drukte. Zo was ze het dichtst bij de natuur. Zo was ze weg. Lappen gevallen.

~

Het doek opende. Een fanfare maakte zacht muziek, ze waren op verkenning uit. Luke droeg zwart, hij speelde trombone. In zijn eentje klaagde hij het luidst, door de groep werd hij versterkt.

Op de achtergrond ruisten auto’s. Hij marcheerde langzaam door, in de kopgroep van een aanzwellende menigte. Ze speelden voor iedereen wat. Ze vulden brede straten in hun stoet, op weg naar het stadhuis. De finale. Een slotakkoord en de formatie viel uiteen.

In de pogingen een geest te vangen was Luke verstrikt geraakt in het vluchten. Om pijn, uit wanhoop, omdat het recht zetten te lastig was. Tegenwoordig was het vooral vluchten omdat dat was wat hij deed. Een boterham met jam, de ochtendkrant en een gedag dat gewichtiger was dan ze vermoedden. Hij was voor altijd weg van huis.

Comments are Disabled