Recent

Drie kamers en een grijze flat

Twintig verdiepingen aan keuzes worden mij geboden. Al stijgend probeer ik een patroon te vinden in de soms wel, soms niet uitgevallen lichtjes van de etage-aanduidingen. Voor ik merk dat ik de top heb bereikt klinkt er een alarmerend belletje. Dit lift komt tot stilstand, de deuren schuiven open, de geur van lange gangen verspreidt zich.
In een grijze flat die zich niet onderscheidt van de andere torens in de buurt dwaal ik rond. De pas geverfde muren doen me denken aan mijn oude huis. De ronde gaten in de ramen zijn nieuw.
De flats steken sterk af tegen de woestijn die je overvalt zodra je de stad verlaat. In een tel verdwijnt de moderne wereld en is er alleen nog maar zand en een dwalend mens.
Ik denk dat er een muis onder een deur door schiet. Een kleine zwarte schaduw is alles wat ik opvang. Het had kunnen zijn dat de wind de deur beroert, zoals zij ook het zand door de smalle straten heen achterna jaagt. Het dier in mij is al lang verleden.
Ik loop door, op grote hoogte, zwevend haast. Een slecht afgewerkte drempel laat me struikelen en een klein moment balanceer ik tussen weten wat ik hier kwam doen en weten dat ik weg moet gaan. Maar dat moment is te laat.

Jaren terug was dit mijn speeltuin. Argeloos zat ik op een schommel of een wip, rode broek, als het warm was een hemd in pastelblauw. Ik was alleen, opgeslokt in mijn eigen wereld, samen met de anderen voor wie ambitie nog niet bestond.
Met de tijd verschenen er scheuren in mijn onschuld, dreiging en meer betekenis dan er voor handen was drong zich aan me op.
Nu vechten derderangs wolkenkrabbers en straalvliegtuigen om het recht het meest bij de aarde te passen. Eerst vocht ik mee, niet veel later tegen en tot slot bleef ik thuis met mijn ogen dicht.
Ik kwam mijn huis niet uit. Vergeten is een traditie, van moeder op zoon overgebracht. Het wordt eens genoemd en vervolgens voor altijd verzwegen.
Maanden terug heb ik mij beloftes gemaakt, een nieuwe poging om dat wat ik waardeer te kunnen liefkozen. Ik zou de handdoek in de ring gooien en nukkig naar buiten stappen, de stilte in.

In de deur voor me staat een mens, een kleine gestalte. Het ademt vrouwelijkheid, al kan ik haar gezicht niet zien. Ik voel me opgelucht, maar tranen laten is niet meer nodig.
Ze voelt compleet, haar lichaam wordt niet gedeeld. Ze is eerlijk en voert me mee. Met haar hoge stem, haar bruine ogen en haar naam die met een zucht uitgesproken wordt trekt ze me achter zich aan. Toch is er een keerzijde. Uwimana, ergens heb ik de verdeeldheid in haar geest eerder gezien.

Twee paar ogen prikken in mijn rug. Een startsignaal weerklinkt zachtjes.
Als ik mij omdraai zie ik dat een oude man mij via een spiegel van top tot teen bestudeert. Hij is grotendeels in bruin gekleed. Hij straalt macht uit, rauwe kracht door kennis. Het deel dat hiermee vloekt is zijn staart, die vrij en jong danst. Hij is zo lang is dat hij over de grond tot aan de wandcontactdoos loopt. De rode strik aan het eind is stoffig, al is de ruimte om hem heen pas gereinigd. Pluisjes, te klein om waar te nemen, dwarrelen zonder dat ze aan lijken te komen.
Als ik hem nader en om me heen kijk valt het me op dat zijn interieur vervallen overkomt. Een oude, leren sofa is aan de ene kant doorgezeten, aan de andere kant hangt nog vaag een schim van iets dat niet meer zijn mag. Standbeelden en doeken zijn ogenschijnlijk lukraak geplaatst en behangen met fluwelen doeken. De muren zijn volledig volgeklad met vreemde tekens en door elkaar lopende kleuren. Twee ramen hoog in de muur bieden uitzicht op het wolkendek dat nu overal hangt.

Zestig meter lager heeft een oude auto moeite met starten. Het vehikel bromt en trilt, alleen in zijn bevingen. Vier verschillende stoelen en maar een man wiens wens om groener gras te vinden wordt nagestreefd.

Ik open het oog van de oude man. Uwimana geeft me haar hart. Klein en teer druipt het in mijn handen.
We smelten, ze krimpt ineen. Een vreugdevuur, het flakkert en roept om intimiteit. Een massagraf, om haar in elk geval bij het sterven nog de eerste plaats te geven.

Kilometers klinken de schoten door. Zwarte rook stijgt naar de hemel. Dorstig trekken de wolven verder.
De flat is oud, nog ouder dan de verenigde jonge ziel. Uwimana’s nachtelijke gesprekken met het mortel en de pijlers hebben haar bijgebracht hoe de flat de morgen ziet. Zij weet dat ik hier niet thuis hoor, dat mijn schoenen niet het juiste profiel hebben. Zij weet het en toch biedt ze weerstand, houdt ze de omgevallen gipswanden voor me hoog terwijl ik bukkend me naar een kamer achteraf begeef.
Daar is zij ook, zoals ze overal kan zijn. Haar lied is de belofte dat ik weldra welkom ben. Er zijn geen kleren meer die haar gezicht verhullen, ze heeft alles al verloren. Ze staat voor me en doet niets wat ik wil.
Ik vocht voor haar, en strijders sterven niet op het slagveld. Al verwond, gebroken en zonder hoop worden ze thuis in bed gelegd en gaan ze heen, ver van de armen waarin ze het toebrengen van leed hadden willen vergeten. Eén voor één vertrekken ze, terwijl ze stribbelen. Uiteindelijk weten ze gedag te zeggen. Ze laten los en drijven af, onverschillig over of ze neer zullen storten of voor altijd blijven zweven.

One Comment

  1. Burbick 6 februari 2013

    Sterk verhaal. Hij voelt flardachtig aan en dat komt overeen met de stemming die je oproept – het viel me op dat je redelijk straightforward begint en naarmate het verhaal verloopt, de opgeroepen beelden surrealistischer worden. Persoonlijker voor de hoofdpersoon en daardoor afstandelijker naar de lezer toe, had ik het gevoel. Ook mooi hoe je de contrasten van leven / niet (meer) leven, jeugd en ouderdom, van Uwimana en de oude man naast elkaar stelt.

Comments are Disabled