Recent

Weerzin

Ze wast zich in stilte. Een parelwitte badkuip, staand op gouden leeuwenbeeldjes, biedt ruim plaats. Uit het huis klinkt vioolmuziek. Als haar man nu de trappen op zou komen, de schuifdeuren die toegang tot het dakterras geven openen zou, het zou haar niets verbazen.
Met een klein, kirrend lachje trekt ze de zwarte plastic stop uit het putje. Het overtollig water wordt via de dakpannen door de regenpijpen weggevoerd, aanstormende irrigatie voor het droge noorden.
De leeuwen zetten zich schrap tegen het schuine dak als zij zich aan de rand van het bad omhoog hijst en op haar tenen naar buiten stapt.
Ze wringt haar kleding en haar uit. Schudt zich uit, strijkt langs haar flanken. Dan stapt ze het raam door, de dag in, wulps en plots tegelijk.

In de leesfauteuil zit haar man nog, in dezelfde houding, alsof hij nooit vertrokken is. Ze kijkt naar hem, naar de aders op zijn bovenarmen, de strakke lijnen in zijn gezicht. Ze strijkt naast hem neer, haar jurk die nog vochtig aan haar lichaam kleeft plakt aan zijn behaarde benen. Rood kant siert zijn taaie kuiten.
Uit haar blik spreekt onbegrip. Hij roept haar tot bedaren maar zij houdt haar oren dicht, eerst watjes, dan kurk. Hij heeft haar onterfd, zijn lievelingsvrouw, zijn eigen vrouw, terwijl hij met ring en al hun zoon vasthield toen zij hem het kind baarde.
Met ring en al vreemd ging, naar andere vrouwen riekend verdacht opgelaten naar eigen haard keerde.
Met ring aan stierf, in haar armen, krampachtig gesloten. Een overtuiging en een moment later toch niet.

Haar hele huis zat vol schimmel. Het was bij de kaas begonnen, de kast, het rookwaar en de door haar man zo gekoesterde dranktafel. Het had zich traag, geleidelijk verspreid. Na eerst het brood en de ham volgde het oranje koekblik dat ze van haar schoonouders gekregen had. Ze had hem nog bij de vaat gezet, in de veronderstelling dat het roest was, maar het hele blik was gedesintegreerd toen ze een uur later terug van de kerk kwam.
Ze had het blik toen buiten gezet en vanaf daar tastte het de specie aan, de klimop en de stenen.
Met dat achter zich leek de schimmel een spurt te maken, als ware het getuigend van een soort ongeduld, een klein kind dat wisselend op een van zijn benen hinkte. Het at zich een weg over het gloednieuwe parket, wat ze eruit had moeten boeken. In een uur langs de eettafel die ze met een wanhopige kreet het balkon af smeet, van driehoog op hun witte auto.
Zonder respect voor haar pogingen het in te dammen had het ook haar bekropen en had het zich in haar oksels en knieholten gemanifesteerd.
Haar man kwam overhaast thuis met op de achterbank dat nieuwe wicht van hem. Hij schold op haar en hield niet op toen zij naakt haar infectie liet zien. Van de boekenkast griste hij de voogdijpapieren en verliet snauwend het pand.

Ze komen allemaal terug naar haar bed, alle tevreden mannen zoeken kruipend en tastend een weg terug naar donkerpaarse lakens, naar haar welvingen.
Niet al te lang geleden had ze een butler in dienst genomen om de ongewenste aandacht af te wenden.

Het deed er niet toe, hij heeft haar bedonderd. Hem haar zoon ontnomen, op wie ze zo gesteld was, die net zo gek op haar geweest was.
Hij heeft haar geschrapt, een laatste ontkennen, benadrukken wie de piano niet krijgt, wie niet dat vergeeld stilleven ophangen kan.

Zonder weerzin of aarzelen stapt ze de deur uit. Banken naar buiten, het tweepersoonsbed uit het raam, de lamp. Als laatste zij.
De advocaat was vol begrip na haar vurig betoog. De kassière evenzo.
Ze doet het weinige wat een vrouw van haar stand nog doen kan, het laatste redmiddel na de pest uitgebroken is.
Een licht belletje rinkelt als ze de glazen deur beheerst openduwt. Ook bij de makelaar was een eerste indruk cruciaal. Een groet, een vaarwel. Ze zal hun huis duur verkopen.

Comments are Disabled