Recent

maandelijks archief: augustus 2013

Een gesprek tussen moeder en zoon

Van het zolderkamertje kwam een regelmatig gegons. Een vrouw werkte snel en geconcentreerd aan een naaimachine. Naast haar stond haar zoon, gebiologeerd door het voortdurend steken van de naald.
Hij wilde haar over zijn lange nacht vertellen. Het liep al tegen de middag. Hij was zo lang als hij durfde in bed blijven liggen, had zich uitgebreid gedoucht en toen hij zeker was dat er niemand in de keuken was had hij van daar ontbijt naar zijn kamer gesmokkeld.

Zijn moeder keek niet op terwijl ze vroeg, “leuke avond gehad?” Ze had hem gisteren horen binnenkomen, laat, zacht de deur achter zich sluitend en langs haar slaapvertrek naar bed sluipend.
Hij knikte, een bevestiging die meer als inleiding tot ontkenning diende. “Ja, nou ja,” murmelde hij, toen hij besefte dat ze het niet zag.
Lachend keek ze even naar haar zoon, om vlug naar haar naaiwerk terug te keren, zo vlug dat ze zijn twijfel niet zag. Het net zomen van het kleed vereiste al haar aandacht. “Het was goed laat, zo laat als ik het vroeger zelden maakte,” zei ze, met de lach nog hoorbaar in haar stem.
Beschaamd keek hij om zich heen, naar niets, juist om nergens heen te kijken, in verlegenheid gebracht door het feit dat ze hem gehoord had. “Ik trachtte stil te zijn, sorry ma.”
“Het geeft niks. Ik was gewoon nog wakker. Ik ben blij dat je het goed hebt gehad.”

Ingebrand

Splinternieuw was je auto, felzwart, zichtbaar kostbaar. Je enig kind. We zwaaiden van links naar rechts, tegen het buigen van de weg in, ik in de passagierszetel, jij, zeker, achter het stuur.
De lantarenpalen beschenen je gelaat ritmisch, terwijl jij in een ander ritme heen en weer deinde, schijnbaar op de muziek die toch net in een ander tempo klonk. Je berustte je in de resulterende onregelmatigheid, ik nestelde me in je rust.

De wereld leefde op zijn kant. De steile rotswanden waren lastig te begaan, maar je viel niet honderd meter lager te pletter, dood als je je handen ontspannen wilde, bij een verkeerde ademhaling.
Ik was een aasgier, ik leefde op voorspelde ellende. Ik kantelde gewoon mee toen de boel begon te draaien, spreidde mijn vleugels en vloog een andere vlucht.
Ik zag met name zwart.

Onderscheiding

 de gewone pas
  vormeloos, in twee├źn gesplitst
  voetje voor voetje
  vrij en in lucht

 de grote stap
  in de diepe poel
  zonder te weten
  of het reinigt of vervuilt

de zachte haren aaien de gespannen huid
een aanraking zo zacht en onverhuld

  koel in de schaduw
  in de beschutte flank
  nasidderend de regelmaat
  van ademhaling vinden

 een stevige pas, zeker
  het uitstralen van kracht
  en een dagende rust

Zwanenzang

traag als altijd
kom je nader
zoek je toevlucht
bekende vleugels

in een baan getrokken
schommelrondes zwieren
om in de ander op te gaan

een ranke nek die
het oog verrijkt
en elke lamp
overstijgen kan

onbepaald maar onbetwist verlangen
om in een oude houten kooi
jouw essentie op te vangen

Veinzen

na ontelbare slapeloze nachten
ben ik naar buiten getreden
in mijn slaapkledij
weerloos tegen de zwarte lucht

met diep gekloofde voeten
sjok ik over het hete asfalt
mijn hoofd hangt berustend
de veroordeling is onvermijdbaar

ik zuig mijn longen vol
teer op vervolgen hoop op gratie
loos als mijn poging tot beteren
tevergeefs had ik het leven in pacht

met bebloede knokkels vocht ik lang
tegen de onvermoeibare zee
geen slag gaf mij voldoening
zelfs de ondergang liet me koud

ik bid om het branden van een kaars
maar er is geen nabestaande bereid
mij een laatste eer te bewijzen
niemand die mij gedenken wil

drommen mensen komen bijeen
smalend lachen ze om mijn lot
ze dralen om mijn eind te aanschouwen
dat ik betraand aanvaarden zal