Recent

maandelijks archief: maart 2014

Plannen

ik ga koekjes bakken vanavond ik ga
    naakt midden in mijn kamer met
      mijn kleren om mij heen verspreid
    mijn lichaam met hartjes voltekenen
    watervaste stift in de hand ik
      vul mijn lichaam aan
    val mijn logge lichaam af

terwijl ik voor de oven wacht
impregneer ik mijn lijf met zwarte inkt ik
    ben een meesterbakken ik
    bak ze

dit betekent wat
    er over blijft wordt weggegooid ik
    word een zebra met vlekken, geen strepen

ik lig in mijn hangmat op het strand
tussen de palmbomen met
    vers gebakken koekjes in mijn hand

Roofdier

zoals een adelaar bidt
smeek ik om een roofdier te zijn
wild en onvoorspelbaar en sluw en prachtig
   paraderen achter tralies
ik zou dan mijn slachtoffers bespringen en met
 getrokken degens ze aan mij vast klauwen
   ze open scheuren
   zo
   met uitgestoken klauwen

maar tegelijkertijd zou ik mezelf zijn en
heel verdwaasd kijken naar de koffie die koud geworden is
in de tijdspanne tussen net en nu de warmte vervlogen
   ik heb geen poot verzet
   als onderdaan van mijn gedachten
   geen stap tegen de ontvoering

als mijn verzorgers mij met morfinenaalden beschieten
lig ik in mijn nest, gekwetst
wacht ik op het protest van de een of andere activist
die zich meer om mijn welzijn bekommerd dan zijn eigen
   vele malen meer dan ik

ik lig dan in mijn nest
totaal relaxed
tot ik vergeven wordt tegen voedertijd

Zicht

laatst
ik ben mijn gehele zicht
  in de nacht kwijtgeraakt
blind van woede en angst riep, nee gilde ik om mijn vader
  maar ik was verlamd
  aan het bed geketend

vanuit die cocon bezag ik het leven
  haarfijn, ik zag ongefilterd de conclusies en concessies
  en wist waar ik messcherp snijden moest

maar het werd dag
en ik nam meer waar
ik was niet alleen
  ik was samen
  en probeerde terug te grijpen naar de helderheid van net

het was mistig
mistig en bewolkt

Lispelen

de storm bijt aan alle kanten van zich af
laat zich niet vangen, ze is niet te strikken vannacht,
zelfs niet met sluwe netten van de kapitein
die volhard aan het roer staan blijft
met strakke blik vooruit

de storm vleit alle kratten van zich af
laat zich niet stangen, ze is niet te stikken vannacht
zelfs niet met stutten en pegels van de man
die straks zijn voetenwerk gade slaat
volhard aan het roer geklonken

      hij is op jacht
      hij dondert, zonder medeleven
      rakelings langs messcherpe rotsen
      met het idee van een matroos aan zijn zij

         (het idee ervan, zijn interne dialoog)
als hij zich warmer had ingepakt die koude nacht
was zijn huid niet zo gebarsten
had hij zijn tedere kant op het lijf aan de kust over kunnen brengen
nu kust hij alleen ruw en soms
soms niet