Recent

berichten in de categorie 'Gedichten'

Otto

het is niet de eerste keer dat ik graag een octopus zou zijn
om met acht tentakels parallel braille te lezen
op alle golflengtes dichterbij komen kan en geen schaakcomputer nodig heb voor mijn dagelijkse taakjes
dat ik ingeburgerd vreemde talen sprak en alleen maar droomde van in slaap vallen

een schutkleur op een feestje, een Scandinavisch nietszeggend muurbloempje
waar de piñatas alleen maar kleinere piñata’tjes bevat
als een matroeshka ben ik ook graag bij mijn mama
ze kookt haar pasta zonder wekker
hoe lang zou het duren voor ik mijn eigen thuis heb gesticht?

als ik dan gebartentaal, bladmuziek en Hebreews onder de knie heb ik weet ik dat ik geslaagd ben
een onbetwist succes, de eindstreep behaald zonder me aan anderen te meten
ik wil dan Otto heten, zodat ik mij in de spiegel ook nog ken
de eerste aquatische partijleider zonder programma
een octopus met meer wensen dan hij tellen kan

Opblaastuba

        hoe pakt een man zijn verjaarsgeschenk uit – een stappenplan, in drie bewegingen

        de prelude
een bewonderen en deftig knikken, een erkennen van de gever in anticipatie van haar vindingrijkheid
het op waarde schatten van de vouwkunst, het papier, de plakbandjes die niet met tanden van de rol gerukt zijn maar keurig op tweeëneenhalf centimeter afgeknipt werden met een nog scherpe keukenschaar
mogelijk, maar niet verplicht, ruiken, snuffelen, licht schudden en licht ontzet kijken als er niets klinkt
dan, als intermezzo, omdat zijn lichaam, stem en gastvrijheid ook opgemerkt moeten worden, wijn schenken, duim in de ziel, arm op de rug

        de ouverture
het is een tuba, het is een opblaastuba, het is een lege doos, een grapje, binnen dit papiertje zit alleen nog maar meer papier
het is een bioscoopbon, zó attent en ook persoonlijk, zó vijftien euro per stuk
het is een gebaksschotel want vorig jaar smeet de gever die van oma stuk, een grapefruitlepeltje voor de set
het is parfum en douchegel, omdat hij niet zo lekker ruikt, een stropdas en sokken opdat hij sjieker oogt, het is een kleine steek onder water, waar we toch beleefd om lachen, maar het kwetst
een verjaarskalender omdat hij andermans dag van ’t jaar telkens weer vergeet
het is een pot verf want hij is net verhuisd, het is een pot verf want hij wordt vader, het is een pot verf want alles bladdert af, het is een pot verf want hij is een man en dus kan hij klussen
het is beslist een roze opblaastuba

        de finale
zo!
weet je nog wel toen je vroeger oud wilde worden?
wat deed je met vakantie, ging je ook op reis naar verre oorden om te concluderen dat het net was als op de foto’s maar dan met toeristen?
lust je nog een stukje taart?
fijn hè, mooi weer?
fijn hè, mooi weer spelen?
deftig knikken, af en toe naar de tuba blikken – god, wat moet dat nou weer
ga je weer naar huis?

In winter

a figure in a flurry of memos observes her pendulum clock
  work through all the rules and I will know how to act my part
    men, part citizen, nothing to uncover
    story of the land being uprooted, and all the while she is keeping time
  she is
  like an oak in winter
a rustling

a blackbird recites a piece by Shakespeare, mis-attributed, all rights reserved
  or righteously open and bleak
as if there’s grey that I don’t know, polar opposites
  a prison of desire
  a menu of choice, three dishes
  presented and discussed in hushed and revered tones
    in passing
    only the smouldering of the fire reaching my ears

I am so quiet, I am
so quiet, I
barely know how to articulate my consonants
constants I try to hold on to as the world stays in motion
blankets of sorrow draped between the trees
like an birch in winter
a fleeting murmur

Kieuwen en wier

een zeemeermin op doortocht droogt haar schubben op mijn terras
waar de hele stad haar kan zien stralen werpt ze scherven licht
en schrijft een ansichtkaart naar huis

  “kom
  het is hier wonderschoon
  om de dag lapt de glazenwasser de ramen en
  ik zie u graag”

dromerig schiet ik in en uit fase
een modeverschijnsel zonder fundament
een strand uit drijfzand, een ven, zowel zonnen als verdrinken
terwijl mijn sterrenbeeld mij uit het diepe vist en mij in mijn stoel duwt
mij in mijn stoel duwt en zich in een baan om mij heen schikt, een beheerste borstslag, een constant slaan van een staartvin en in mijn handen kieuwen en wier
een planetoïde bij nader inspectie, nooit meer dan puin, kunst, in een regelmatig deinen

hier zit ik dan, stomgeslagen, verbouwereerd, een huls, nog nat en stiekem hoopvol
stamel ik in gebarentaal in het luchtledige
hier sta ik, verslaafd, gelovig, achter de lessenaar, stil

Oogst

ik sta te popelen, het is zaterdag kort voor het middaguur
de koude koffie smaakt naar thuis en ik laat mijn haar als regen vallen
ik wil dit, ik vat de wereld samen, tol rond in opgeschort momentum en ruik het avontuur, zanderig en warm

tot het startschot klinkt en ik schreeuw en dans, zacht met mijn heupen wieg
ik ben niets, niets, en schiet als vuurpijl tot grote hoogte, pluk de melkweg en vouw die als origamiblaadje tot een bloempatroon

een geruis, de Efteling, het universum als verzetje
ik maak het mooiste neoklassiek paleis van mijn flatje, driehoog
robes en robijnen, een rode loper voor de gast die de tweede ronde uit zijn open armen rollen laat
en bij mij, idolaat, erop staat dat ik de taart aansnijd, de eerstgeborene
bruid en bruidegom met haar, huid en ingewanden tot mij maak

ik wil dit, ik wil dit o zo graag
en zwem in de euforie van spanning waar wrijving meer en meer energie maakt
tot ik duizelig en zielsgelukkig langzaam afdaal
kop, hart, tenen en al mijn gedachten tot een bal draai
en als vrucht naar de wereld draag

Spiegelglad

in het midden van het spiegelgladde meer drijft een bootje, peddels binnenboort, anker uit
een man in pak met regen in zijn hoofd als kapitein, al dacht hij nooit hier te staan
in zijn volgend leven wordt hij een schelpje, geen weekdier maar een omarming – een zandkorrel, een parel in wording
zodat hij zijn zoon verhalen over de zee en vergeten schepen in zijn oor kan fluisteren

in het midden van de spiegelgladde zee drijft een bootje, roerloos, een stip op haar gelaat
een streepjescode die veranderlijk de nieuwe dag opgetogen groet
een vrouw in haar volle glorie, al dacht zij nooit dit punt te bereiken
ze was eens iemands trots, tot ze erachter kwam dat ze benen had en de wil om zelf te scheppen
zodat ze de kust met rust kon laten en haar carillion naar de goden luiden kan

in het midden van het doolhof ligt een spiegel, een poort naar ontkenning, een glazen bol op wacht
tegen middernacht licht de hemel op en suist er een spreuk die de wereld onderdompelt
de vrouw en de man blijven onafscheidelijk, ook al herkennen ze de ander alleen als ze koosnamen zuchten
en de rivier glinstert zacht, vrij van golven

Dwaas

bel de brandweer, huw de amulance uit-
 praten zonder besluitvaardigheid, stemmen stemmen op de A, vier veertig hertz, geen aanhangwagen of voogdij voor de jonge blom
ik zoek nog steeds naar absolutie en de priester deelt maar hosties uit, relativeert ’t alles, alsof ik zonder mate er nog zijn mag – maar ik maak alles stuk-
 je bij beetje kruip ik uit mijn schulp, de tofu en de steenbokskeerkring als kopzorgen
als ik als heremietkreeftje toch maar een nieuw huis vind kan de rest op de Playa Major bruin bakken
ook al is tijgerwit massa’s beter te nassen, is fruit gezond en snoekbaars ook
’t smaakt uiteindelijk voornamelijk naar zeep

wie zet de koers?
wie houdt nou de kaart in handen, de kaarten, de kaartjes voor de grote show
wie stuurt en trap zelfvoldaan het gaspedaal in?

op de berg staat een schavot
rijen toeschouwers aanvaarden op hun teensleppertjes de klim
onder de Gordel van Orion keert een even grote groep de de boel de rug toe, een spiegelspel
een scheids die onpartijdig het volk tot winnaar uitroept

van Rusland tot de Azoren gaap ik toe – en bestel nog een crème brûlée, een dame blanche
een coup, in de hoop dat ’t tot werkelijkheid wordt

mijn besluit, tot slot: bel de brandweer maar, huw ze allemaal uit
wij hebben ’t nu wel uitgepraat

Op de rand

ik zit op de rand van mijn waterbed en speel een liefdesliedje op een broodje gitaar
mosterdgeel is een onwijs populaire kleur in tegenstelling tot consensus van de VN
op de achtergrond wauwelt een SBS-6-presentatrice over Kevin de keffende cavia en ik ben halverwege mijn reis, ik wou dat ik op twee derde was

honden piepen en banden gieren en in vol ornaat stapt de politiemacht door het centrum van Grutjebroek – jasje, hoed en tirelantijnen, want ook zij hebben een succesje te vieren
ik eet een soesje en hang mijn wasgoed aan de lijn, hand-oogcoördinatie die nauwelijks anders is dan van mijn betovergrootvader – gezegend is zijn ziel, zei de pastoor, maar ook hij composteerde

lui rijg ik ketens kralen achterelkaar en de presentatrice is nog steeds niet uitgepraat, ik wou dat ik thuis was
dat ik gebroken Frans sprak, hakkelde zonder te aarzelen, een huzarenslaatje at

er was eens een boekenlegger, een inhoudsopgave, een rode draad en een idee om aan vast te houden – ooit was er niets
ik veer nog wat heen en weer, lonk naar de deur en knipoog naar de TV
het blauwhelmenfeestje is voorbij, slot dicht, afwasmachine aan, gordijnen toe en extra tanden schrobben
dankjewel

Kleurenwaaier

na jarenlang zwemmen kom ik boven water in de compressiekamer – muziek klinkt en ik word langzaam wakker
ik droom dat ik op tienduizend kilometer hoogte zweef en het buiten regent, dat ik in kussens genesteld dood ga
ik voel me heel erg klein en ik kruip door het sleutelgat, ik kom aan de andere kant van de wereldbol boven aarde
in de tussentijd gebeurt er niets en toch van alles, verveel ik me en koop ik veel te dure koffie

ik ben op doorreis en zie flarden:
    in de ochtend trekt de roofvrouw langs en kleurt het landschap een hartelijk groen
    het tempeltje aan de voet van de heuvel herbergt een zwerfkat die vandaag jarig is
    in de doe-het-zelf-zaak pakt een chick in mantelpak een broekpak uit en wuift haar partner kalmte toe met een kleurenwaaier
    de tl-verlichting laat de wetenschapper lang doorwerken aan zijn antropologisch onderzoek naar discipline

te midden van de stoomtijd maakt de vrouw van mijn dromen haar entree
ze zegt in alle talen die ik ken welkom en ik staar sprakeloos naar haar vleugels
ik kan alleen maar denken aan ontbijt en hoe ik om haar hand vragen kan, wat voor wijn ze lust

in deze wervelstorm raak ik mijn stembiljet kwijt, een verkreukeld vel
en besluit mijn eigen stadsstaat te stichten, contemporair, zonder zorgen om het onbekende

ik dacht dat ik altijd rennen kon en spelen kon en nooit vertwijfeld naar mijn lege glas zou staren
maar ik ben verdwaald en heb heimelijk mijn doel al bereikt
ik draai het assenstelsel om, in verwachting van mijn tweede tol ik rond
ineengedoken, als een man die vroeger oud wilde worden, en nu op geleende tijd de stroom tracht te volgen

Ik was zijn voeten

binnen op de sofa lak ik mijn teennagels in donkerpaars
buiten raast de metro voorbij
ik vang een blik, een man die met zijn kamerplant naar de zon reist

ik wapen mij in brons, ik ben zachtmoedig en toch slecht geluimd
zijn badlaken hangt in de wind aan de waslijn verzand
de aardewerken pot naast de deurmat, het buxusstruikje aan de voet van mijn flat
hij trekt zijn schoenen uit voor hij binnentreedt en ik was zijn voeten, ik verwelkom hem in mij

we zijn uit hetzelfde stuk zeep gekneed
een rozenblad en een wens om iets exotischer te zijn

ik ben iets meer dan mijzelf
een warme augustusavond op een dakterras in Napels
waar ik nog nooit geweest ben
waar ik met ontblootte borsten paradeer voor mezelf alleen
al mijn marktwaarde al jaren vervlogen
en waar ik op geleende tijd verder leef
mijn jeugd herdenkend
als ik schapen scheren mocht in de lente
en de wol in saffraangeel verfde
– ik vraag me hardop af of ik het nog in me heb,
  de kunst iets als avontuur te nemen,
  iets nieuws in me op te nemen en dwaas te omarmen
  om ’s ochtends in de douche vies van mezelf mij wederom te vergeven

in de kussens weggedoken geef ik ze namen, alle tien mijn tenen
als guppies in een aquarium
terwijl ik de zijne glad vergeten ben

ik verklink zijn benen, ik giet hem in cement
zo is hij een wolf, zo heb ik hem getemd en is hij de mijne
draag hem aan mijn vinger, slaap met mijn hoofd op zijn borst in

en ik de gang ontkiemt het zaadje in de aardewerken pot
om zonder onze moede lijven
de toekomst te bezien