Recent

berichten in de categorie 'Gedichten'

Buiten

ik deed vandaag de deur naar buiten open en ademde de wereld in
stukken stad en stoeptegels bezaaid met poedels en verlangen waaiden in mijn gezicht
ik sloeg mijn sjaal drie keer om en hapte toe
ik deed de deur open en ademde de wereld uit

en dagen later gonzen echo’s van een dag die zich aan tijd en ruimte onttrokken had nog door mijn hoofd
uitgelaten kreten met een eigen leven, op twee benen, vol stille overtuiging
“het kan niet waar zijn, ik droom toch
hoi, je bent mooi, hallo”
een schuifdeur die sluit en een ander die in een golfbeweging wagenwijd openzwaait en kraakt
“welkom, je hoort erbij”

ik lig speels op mijn buik in bed en puzzel een mozaïek ineen
ik kleur de vakjes, vul mijn vacht met nieuwe tinten
ik breek het licht in tig fragmenten en leg ze op kleur en vorm, op geur en functie

ik zit op bed en wacht tot de dag mij wast
en toedekt in wolken donzen dekens
en dan lacht, “hallo, je hoort erbij”

Advies

denk je soms op maandagmorgens “goh, ik heb wel trek
in nutteloos advies, een grammetje of wat,”
en speelt het jou dan parten als je mij belt op nul-zes
en de bezet-toon hoort, of voicemail

dan heb ik wat voor jou, heer, dame, en sprankje hoop, goedkoop:
de wijsheid die ik daags als deze in de wereld strooi
is ook uitstekend gevriesdroogd te bewaren, of gepekeld,
als hammetjes aan de balk

’t is dat je mij dan drie maal in de maand wat water geven moet,
en niet te laat de euros op mijn rekening verschijnen doet

Zoals het bedoeld was

de kaasboer vraagt of het een half ons meer mag zijn en mijn handen zijn al vol, al bomvol, mijn handen zijn veel te groot om de wereld te omvatten, om al het moois buiten overdag in het wild te bevatten
hij houdt het hele wiel kaas in zijn armen als een kind, het hele wagenwiel
stuurloos, besluiteloos beweegt hij tussen de weegschaal en het mes en “proef een blokje, neem een stukje”, neem een blokje om en ik voel me herboren, ik voel mezelf weer
  ik tast mijn grenzen af, tast ze aan, af en aan
en af en toe weet ik het ook niet meer, het is zo moeilijk, moeilijk om niet mij te zijn, om alles te laten verwateren, om als een aqaurel mij onzichtbaar in de gewone wereld te mengen, terwijl ik er toch toe doe, en een mening heb, een oordeel en een megafoon, een kleintje, althans

mijn handen zijn al leeg, ik heb alles al gegeven en kras kris-kras krasloten af, tuur door mijn verrekijker naar vergezichten, verder naar geluk en geluk heb ik, hier heb ik het, ik ben ervan doordrenkt, ik ben zo vol van alles dat ik alleen als sterke drank over de toonbank mag, hooggedestilleerd
ik maak een vuist, het is zo dat ik diep in de ogen van de wereld van mijn fantasie kijken wil en uitroep “ja! ja – zo was het precies bedoeld!” en ik weet dat ik het niet bij het rechte eind heb maar toch, vol overtuiging knik ik en kruis ik met rood potlood het vakje “ja” aan
ja ik wil in wit met uitgestreken gezicht een leugen van eeuwig leven blind herhalen, ik wil een half ons meer, een halve eeuwigheid, en die verloren tijd dubbeldik op mijn toastje smeren

Twee schoenen

twee schoenen met een man erin wensen de rook vol vuur een goedenacht
aan de bosrand waar het bos nog brand en het smeulend in mijn longen dringt
ik ben de man die in het vuur verzinkt, de man die in het vuur verzengt en tot over mijn oren in schuld en schietgebedjes uit de as herrijst
verbitterd, volhard en dor

ik ga in vlammen op, vurig verteer ik alles met huid en haar, rijt de wereld woest uiteen
en lig gespannen opgekropt in de luwte, ’s avonds alleen aan tafel, mes, vork, bord, een tig-delig servies
een reconstructie uit scherven van mezelf, statig in vierdelig pak
met mijn handen in het haar en mijn hoofd in mijn handen
  waar ben ik beland
  waar ben ik gebleven

twee schoenen met een man erin groeten aan de kustlijn de schemering
een wiegen als het wier, weerbarstig als de stroom
roepen om het eb en verwaaien, een kreet die op de rotsen sterft,
en zacht:
  ik ben verdwaald, ik had een kaart in handen, een route naar buiten, een opgevouwen plattegrond, ik hield de troef vast, net, en
  nu wil ik niets meer,
  wil ik mezelf vervagen
  aan de tekentafel zonder jas met een gum en meer lood dan ik schetsen kan, meer ruis dan ik hebben kan
tot over mijn oren in schuld en schietgebedjes
dor, bitter, hard

Geen poeha

dat je jezelf in de spiegel feliciteert, een droevige taart, een stapel pechkoekjes
kaartjes met gelukswensen voor iemand anders en zwarte balonnen
een klein, heel klein stukje veganistische biologische taart, zonder suiker
dat je blij doet voor de foto maar stiekem weet

straks ga je naar de Appie en koop je tompoezen en appeltaart en krijgt niemand iets
eet je alles in je eentje op en stuiter je zo je nieuwe levensjaar in
en zet jij The Beatles op ook al maakten die geen verjaardagslied
geen poeha, geen fratsen, gewoon, jij, en de essentie van jouw jarigheid

Zacht als schapenvel

het is alsof er gezang klinkt maar ik weet dat het doodstil is – opzwepend, subtiel, aanwezig
alsof er een magneet boven mij zweeft en ik ook, alsof ik ook zweef, in de lucht drijf, als een vis in het water, als een lijf in de stroom
het is alsof ik niks meer wil, niks meer hoeven wil, alsof ik alles al heb, alles wat ik hebben wil heb
of ik mijn hoofd nou links draai of naar rechts ik de tropen zie en de zon schijnt

dat ik ik doodsbang ben dat de spiegel breekt, ik alleen met mijn lego op zondagmiddag achterblijf, als een eenzame violist in het Concertgebouw
    het intermezzo
        thuis bij mijn ouders de trap oprennen, één meter zestig en megawatts aan energie in mijn nog niet volgroeide lijf gepropt
        vol overtuiging dat ik het juiste doe mijn fietsband op blijven pompen, tot onvermijdelijk de overtuiging, de band, de hele show uiteen klapt

alsof ik me vol vertrouwen achterover laten vallen kan en weet dat ik ooit wel landen zal
dat ik opgevangen wordt door handen zacht als kattenpootjes
in golven wit als een schapenvel

Vingers op de lippen

op het bureau van de houten man staat een scheepje in dubbelwandig glas
wassen planeten draaien een baan rond de archiefkast
zelf is hij afwezig, denkt hij aan Pluto, staart hij afwezig
naar de zeemeermin buiten in de regen
die zacht een liedje zingt

de steegjes hangen vol met lampionnen die op de westerwind heen en weer wiegen
een kipperlicht geeft zonder haast een richting aan
een dirigeren, een vinger op de lippen, een geluidloos duwen
een vallei vol mist waar de automobilist uit puur geloof weet, een rotsvast vertrouwen heeft
in het huis dat met open haard en warme sloffen op haar wacht

in al die tijd is er niemand geweest die zo mooi lachte
die zo mooi de was vouwde
die zo mooi was als de zeemeermin

zo doordrenkt van dennengeur het bos de wereld in haalt
in langgerekte avonden de leren bank versiert
de man windt zijn horloge op en wacht tot hij weer verder gaat met wachten
op de duif die buiten op de vensterbank zacht een wiegenliedje zingt

Otto

het is niet de eerste keer dat ik graag een octopus zou zijn
om met acht tentakels parallel braille te lezen
op alle golflengtes dichterbij komen kan en geen schaakcomputer nodig heb voor mijn dagelijkse taakjes
dat ik ingeburgerd vreemde talen sprak en alleen maar droomde van in slaap vallen

een schutkleur op een feestje, een Scandinavisch nietszeggend muurbloempje
waar de piñatas alleen maar kleinere piñata’tjes bevat
als een matroeshka ben ik ook graag bij mijn mama
ze kookt haar pasta zonder wekker
hoe lang zou het duren voor ik mijn eigen thuis heb gesticht?

als ik dan gebartentaal, bladmuziek en Hebreews onder de knie heb ik weet ik dat ik geslaagd ben
een onbetwist succes, de eindstreep behaald zonder me aan anderen te meten
ik wil dan Otto heten, zodat ik mij in de spiegel ook nog ken
de eerste aquatische partijleider zonder programma
een octopus met meer wensen dan hij tellen kan

Opblaastuba

        hoe pakt een man zijn verjaarsgeschenk uit – een stappenplan, in drie bewegingen

        de prelude
een bewonderen en deftig knikken, een erkennen van de gever in anticipatie van haar vindingrijkheid
het op waarde schatten van de vouwkunst, het papier, de plakbandjes die niet met tanden van de rol gerukt zijn maar keurig op tweeëneenhalf centimeter afgeknipt werden met een nog scherpe keukenschaar
mogelijk, maar niet verplicht, ruiken, snuffelen, licht schudden en licht ontzet kijken als er niets klinkt
dan, als intermezzo, omdat zijn lichaam, stem en gastvrijheid ook opgemerkt moeten worden, wijn schenken, duim in de ziel, arm op de rug

        de ouverture
het is een tuba, het is een opblaastuba, het is een lege doos, een grapje, binnen dit papiertje zit alleen nog maar meer papier
het is een bioscoopbon, zó attent en ook persoonlijk, zó vijftien euro per stuk
het is een gebaksschotel want vorig jaar smeet de gever die van oma stuk, een grapefruitlepeltje voor de set
het is parfum en douchegel, omdat hij niet zo lekker ruikt, een stropdas en sokken opdat hij sjieker oogt, het is een kleine steek onder water, waar we toch beleefd om lachen, maar het kwetst
een verjaarskalender omdat hij andermans dag van ’t jaar telkens weer vergeet
het is een pot verf want hij is net verhuisd, het is een pot verf want hij wordt vader, het is een pot verf want alles bladdert af, het is een pot verf want hij is een man en dus kan hij klussen
het is beslist een roze opblaastuba

        de finale
zo!
weet je nog wel toen je vroeger oud wilde worden?
wat deed je met vakantie, ging je ook op reis naar verre oorden om te concluderen dat het net was als op de foto’s maar dan met toeristen?
lust je nog een stukje taart?
fijn hè, mooi weer?
fijn hè, mooi weer spelen?
deftig knikken, af en toe naar de tuba blikken – god, wat moet dat nou weer
ga je weer naar huis?

In winter

a figure in a flurry of memos observes her pendulum clock
  work through all the rules and I will know how to act my part
    men, part citizen, nothing to uncover
    story of the land being uprooted, and all the while she is keeping time
  she is
  like an oak in winter
a rustling

a blackbird recites a piece by Shakespeare, mis-attributed, all rights reserved
  or righteously open and bleak
as if there’s grey that I don’t know, polar opposites
  a prison of desire
  a menu of choice, three dishes
  presented and discussed in hushed and revered tones
    in passing
    only the smouldering of the fire reaching my ears

I am so quiet, I am
so quiet, I
barely know how to articulate my consonants
constants I try to hold on to as the world stays in motion
blankets of sorrow draped between the trees
like an birch in winter
a fleeting murmur