Recent

berichten in de categorie 'Gedichten'

Elektrisch

In de strijd tussen Edison en graaf Volta
zag er maar één het licht
maar één, een klein meisje
nog niet eens verwekt
ze stond in de startblokken
meer dan honderd jaar

Nu mag ze! Ze popelt
om haar gelijk te bewijzen,
haar wetten, haar recht, haar grondrecht
recht en rede

De spanning stijgt
de toehoorders luisteren met open mond, met stomheid geslagen
als zij haar plannen uit de doeken doet
haar stellingen op tafel legt
zwart op wet, klaarhelder
onbeschrijfelijk rustig zegt ze hoe het zit

Dan valt ze stil
en kijkt beduusd rond
alsof ze nu pas de implicaties van
haar wezen onderschrijven kan

Ze schittert daar, stil, op het podium,
zij is de ster
zij brengt de waarheid
zij lacht, ontspannen nu – ja!
zij is elektrisch

Coalitie, delegatie

een monster en een spook wonen de vergadering bij – als gasten, een delegatie eigenlijk
ze spreken een taal, een dialect, verstaan elkaar zelfs nauwelijks, zijn merkbaar nerveus voor wat hen boven ’t hoofd hangt
 één keer sterven is erg genoeg
 dat hele verwerkingsproces en zo
 bah
sprak het spook
een doodse stilte viel – HA!

een geestelijke sprak hem tegen, vol vuur, vervuld van overtuiging
 dit betekent vierendelen
 voor griezels zoals jullie
 geen uitzondering
positie verloren, geen populaire mening, een verworpen motie eigenlijk van ’t begin af aan

maar de troef, de joker, hij komt te laat met doorslaggevend gebrul
hij kent de ratio niet, kent alleen verwarring, zaait alleen verwarring
en noemt het dan politiek, langetermijnsdenken, hij kent heel veel woorden

als het debat ten einde komt, blijkt eenvoudigweg, de voorzitter
 de hele garde kijkt uit naar de borrel
 en besluitvorming komt morgen wel
 net als vierendelen

Rond

het gaat over een oud theater in blauw en rood
 waar iedereen een clown, een paard, een geheime wens kan zijn
over een leger, soldaten, de beste bedoelingen
 de grenzen van de mens, waar introvertie niet meer voldoet
een onderwerp, een lach in stilte
een grimas die de zaal vervult
 van warmte of van angst en empathie
het zijn seizoenen die elkaar rap opvolgen, het is oogst
 graan, brood, kruimeldeeg en weer graan

het duizelt mij
en ik sta hier, stijfjes, met de wereld aan mijn voeten
ik kan van alles maar blijf toch liever zondag binnen
of als het regent

Gesloten

op de open zee heeft de kapitein zelden spijt
   de golven relativeren
   de golven spoelen weg
   ze zussen hem in slaap
   ze is alleen thuis
      goudblond kroeshaar
      en verhalen van mijlen ver

   een blok over de reling en
      hij gromt
   zijn verkozen nadenk-grom
   antwoord op het zingen van de zee

aan land betreurt hij ooit walvisvaarder te zijn geweest
   donkere dagen die
   tegen de stroom in
   nabij drijven

aan de kust geniete mensen van gezelschap
ze hebben warmte en liefde en vlees
en op het schip kent de kapitein alleen zijn staf
   nauwelijks bij naam, eigenlijk
   en de vrijheid
om te vloeken om zijn lot
en overpeinzingen, plicht, zijn spijt laten varen
als hem dat belieft

Achtbaan

vanochtend werd ik wakker in de volle overtuiging een achtbaan te zijn
een oude houten stalen achtbaan met overhellende bochten en daverende wagens
en waarom ook niet, is dat de juiste vraag —
waarom zou ik geen ritje maken

  ik ga razend hard, hoor mij maar
  gister was ik nog in Tokio
  en jij hield mij bij mijn haar
  en trok me naar je toe
  terwijl ik alleen maar buitelen wilde
  alleen naar buiten
  zonder regenpak of andere zorgen
  het weer en wind in mijn uitgestrekte armen sluiten
  en vrij dolen, los van de baan

  even lijkt het of ik oud ben maar ’t blijkt, ik ben authentiek
  schurend, piepend, soms zelfs rammel ik van de honger
    bid ik om een broodje niks
    wil ik vanuit mijn stoel
    een kleurplaat kleuren
  en dan denk ik, soms dan schrik ik op uit mijn gedachten
en reis ik kermis na kermis af,
stad na stad

Een officier

   late namiddag
   opstellen

in een slibstroom rond
de oude lijn, vagelijk vertrouwd
breuk, geen verbinding

pak ze aan! de thuisbasis
behoeften vervuld – vanaf dan ontevreden
met zijn geweer en mantel en
handen boven ’t hoofd
tol rond en dol
dwaas, het ene moment wit
brood voor ontbijt, dan de tuin in

de buren bellen bezorgd
het instituut komt, de mannen
ze knikken, ze kennen het wel en
de schoonmaakster zelfs zag het
   aankomen, afvallen,
een constant geloofd in de goot
met een geoefende worp
de baby met het badwater mee
want niemand weet waar het begon
ze ontsmetten de zalen
de purperen muren, de balkamer
het services, net nieuw van de winkel
het vuilnis want god weet
hoe het beweegt
de paden van de avonturier zijn ongeremd
zijn gulp dicht, stropdas recht
maar toch op het brancard

buiten was het onlangs zomer
en een gelovig hart
ontwaakt een al te vroege morgen

de schoonmaakster heeft het nakijken
haar wisselgeld in een geopende hand
een verbijsterde blik
   veld ruimen, mijnen opgraven,
’t is net schat zoeken
   even gevaarlijk immers
   als je op de bom trapt ben je rijk
   geen feest, geen vlaggen, geen lunch
even maar en dan keert ze om
de rust toe, de luwte waarin
alles mogelijk is
en ze haar ogen sluiten kan
voor de onderhuidse band

Schip en kade

ver weg een schip dat zinkt
   scherp gesteld op het netvlies

steeds weer verdrinkt de bemanning
   haar schulden
de schatkist leegt ze boven bed
zeil strak gespannen
   voor het geval dat ze haar benen spreidt
   toch winst wil vangen

slecht weer, slecht weer
dobbert de vloot

de verkleurde verf bladdert van
   de dozijnen af, uit hun sponningen
een opstapeling van ideeën torent boven alles uit
een lichtmast speurt en berispt
een plakkaat mosselen en zeeslakken
   elk formaat roest aan het staal

de matroos en meid houden stand
vastbesloten, een zeebeving, toch
hun adem in

de laatste instructies komen bovendrijven
per telegram, per flessenpost
een testament, voor als ze ondergaat
en op haar knieën moeizaam het hoofd heft naar de zon

de barmeid spoelt de laatste pullen
sluit de luiken, de kas, de ogen
voor de pater, schaamrood op de kaken
onder haar rok
er kriebelt een verhaal
een schatkist, onbevangen

Uit elkaar

hey hoi lieverd wanneer zie ‘k je weer
    aan het raam
    als ik aan de horizon naar een serenade—
    tuurlijk ben je bezig, druk, met groei
    pijn verwerven en met een stap,
        een overstap,
        een horde over

ik ben ook bezig
ik groei ook – kijk mij nou,
    de radslagen en salto’s
    die vroeger in het verschiet lagen
    toen we hand in hand naar later staarden

in de zacht verlichte kamer
waar ik uit de toon zong
en jij, vanuit de keuken
    terwijl je in de kast naar chips rommelde
zachtjes wiegend lachte

Vier dingen over mij

ik ben eigenwijs
ik vouw dubbel als een blaadje, blanco
aan beide kanten maar in mijn ogen gitzwart
met de gekste beweringen en spreuken
    ga mee naar het toverbos, het wild
    schiet schichtig weg en kijkt spiedend achterom

ik doe wat ik wil kunnen
ik doe maar wat ik wil kunnen

ik ben vandaag exclusief tot maart verlengd
    een blokdiagram, slungelig, een golf met scherpe kanten
niet iemand om zo ontwapenend op straat tegen te komen

tot slot, ik kan vliegen, heel hoog
als ik mijn armen spreid, mijn ogen sluit
en aan warme lentes denk
    in het midden van mijn hart
en langzaam opstijg

Plannen

ik ga koekjes bakken vanavond ik ga
    naakt midden in mijn kamer met
      mijn kleren om mij heen verspreid
    mijn lichaam met hartjes voltekenen
    watervaste stift in de hand ik
      vul mijn lichaam aan
    val mijn logge lichaam af

terwijl ik voor de oven wacht
impregneer ik mijn lijf met zwarte inkt ik
    ben een meesterbakken ik
    bak ze

dit betekent wat
    er over blijft wordt weggegooid ik
    word een zebra met vlekken, geen strepen

ik lig in mijn hangmat op het strand
tussen de palmbomen met
    vers gebakken koekjes in mijn hand