Recent

berichten in de categorie 'Gedichten'

Gesloten

op de open zee heeft de kapitein zelden spijt
   de golven relativeren
   de golven spoelen weg
   ze zussen hem in slaap
   ze is alleen thuis
      goudblond kroeshaar
      en verhalen van mijlen ver

   een blok over de reling en
      hij gromt
   zijn verkozen nadenk-grom
   antwoord op het zingen van de zee

aan land betreurt hij ooit walvisvaarder te zijn geweest
   donkere dagen die
   tegen de stroom in
   nabij drijven

aan de kust geniete mensen van gezelschap
ze hebben warmte en liefde en vlees
en op het schip kent de kapitein alleen zijn staf
   nauwelijks bij naam, eigenlijk
   en de vrijheid
om te vloeken om zijn lot
en overpeinzingen, plicht, zijn spijt laten varen
als hem dat belieft

Achtbaan

vanochtend werd ik wakker in de volle overtuiging een achtbaan te zijn
een oude houten stalen achtbaan met overhellende bochten en daverende wagens
en waarom ook niet, is dat de juiste vraag —
waarom zou ik geen ritje maken

  ik ga razend hard, hoor mij maar
  gister was ik nog in Tokio
  en jij hield mij bij mijn haar
  en trok me naar je toe
  terwijl ik alleen maar buitelen wilde
  alleen naar buiten
  zonder regenpak of andere zorgen
  het weer en wind in mijn uitgestrekte armen sluiten
  en vrij dolen, los van de baan

  mijn verf bladdert af
  even lijkt het of ik oud ben maar ’t blijkt, ik ben authentiek
  schurend, piepend, soms zelfs rammel ik van de honger
    bid ik om een broodje
      niks
    wil ik vanuit mijn stoel
    een kleurplaat kleuren
  en dan denk ik, soms
    dan schrik ik op uit mijn gedachten
en reis ik kermis na kermis af,
stad na stad

Een officier

   late namiddag
   opstellen

in een slibstroom rond
de oude lijn, vagelijk vertrouwd
breuk, geen verbinding

pak ze aan! de thuisbasis
behoeften vervuld – vanaf dan ontevreden
met zijn geweer en mantel en
handen boven ’t hoofd
tol rond en dol
dwaas, het ene moment wit
brood voor ontbijt, dan de tuin in

de buren bellen bezorgd
het instituut komt, de mannen
ze knikken, ze kennen het wel en
de schoonmaakster zelfs zag het
   aankomen, afvallen,
een constant geloofd in de goot
met een geoefende worp
de baby met het badwater mee
want niemand weet waar het begon
ze ontsmetten de zalen
de purperen muren, de balkamer
het services, net nieuw van de winkel
het vuilnis want god weet
hoe het beweegt
de paden van de avonturier zijn ongeremd
zijn gulp dicht, stropdas recht
maar toch op het brancard

buiten was het onlangs zomer
en een gelovig hart
ontwaakt een al te vroege morgen

de schoonmaakster heeft het nakijken
haar wisselgeld in een geopende hand
een verbijsterde blik
   veld ruimen, mijnen opgraven,
’t is net schat zoeken
   even gevaarlijk immers
   als je op de bom trapt ben je rijk
   geen feest, geen vlaggen, geen lunch
even maar en dan keert ze om
de rust toe, de luwte waarin
alles mogelijk is
en ze haar ogen sluiten kan
voor de onderhuidse band

Schip en kade

ver weg een schip dat zinkt
   scherp gesteld op het netvlies

steeds weer verdrinkt de bemanning
   haar schulden
de schatkist leegt ze boven bed
zeil strak gespannen
   voor het geval dat ze haar benen spreidt
   toch winst wil vangen

slecht weer, slecht weer
dobbert de vloot

de verkleurde verf bladdert van
   de dozijnen af, uit hun sponningen
een opstapeling van ideeën torent boven alles uit
een lichtmast speurt en berispt
een plakkaat mosselen en zeeslakken
   elk formaat roest aan het staal

de matroos en meid houden stand
vastbesloten, een zeebeving, toch
hun adem in

de laatste instructies komen bovendrijven
per telegram, per flessenpost
een testament, voor als ze ondergaat
en op haar knieën moeizaam het hoofd heft naar de zon

de barmeid spoelt de laatste pullen
sluit de luiken, de kas, de ogen
voor de pater, schaamrood op de kaken
onder haar rok
er kriebelt een verhaal
een schatkist, onbevangen

Uit elkaar

hey hoi lieverd wanneer zie ‘k je weer
    aan het raam
    als ik aan de horizon naar een serenade—
    tuurlijk ben je bezig, druk, met groei
    pijn verwerven en met een stap,
        een overstap,
        een horde over

ik ben ook bezig
ik groei ook – kijk mij nou,
    de radslagen en salto’s
    die vroeger in het verschiet lagen
    toen we hand in hand naar later staarden

in de zacht verlichte kamer
waar ik uit de toon zong
en jij, vanuit de keuken
    terwijl je in de kast naar chips rommelde
zachtjes wiegend lachte

Vier dingen over mij

ik ben eigenwijs
ik vouw dubbel als een blaadje, blanco
aan beide kanten maar in mijn ogen gitzwart
met de gekste beweringen en spreuken
    ga mee naar het toverbos, het wild
    schiet schichtig weg en kijkt spiedend achterom

ik doe wat ik wil kunnen
ik doe maar wat ik wil kunnen

ik ben vandaag exclusief tot maart verlengd
    een blokdiagram, slungelig, een golf met scherpe kanten
niet iemand om zo ontwapenend op straat tegen te komen

tot slot, ik kan vliegen, heel hoog
als ik mijn armen spreid, mijn ogen sluit
en aan warme lentes denk
    in het midden van mijn hart
en langzaam opstijg

Plannen

ik ga koekjes bakken vanavond ik ga
    naakt midden in mijn kamer met
      mijn kleren om mij heen verspreid
    mijn lichaam met hartjes voltekenen
    watervaste stift in de hand ik
      vul mijn lichaam aan
    val mijn logge lichaam af

terwijl ik voor de oven wacht
impregneer ik mijn lijf met zwarte inkt ik
    ben een meesterbakken ik
    bak ze

dit betekent wat
    er over blijft wordt weggegooid ik
    word een zebra met vlekken, geen strepen

ik lig in mijn hangmat op het strand
tussen de palmbomen met
    vers gebakken koekjes in mijn hand

Roofdier

zoals een adelaar bidt
smeek ik om een roofdier te zijn
wild en onvoorspelbaar en sluw en prachtig
   paraderen achter tralies
ik zou dan mijn slachtoffers bespringen en met
 getrokken degens ze aan mij vast klauwen
   ze open scheuren
   zo
   met uitgestoken klauwen

maar tegelijkertijd zou ik mezelf zijn en
heel verdwaasd kijken naar de koffie die koud geworden is
in de tijdspanne tussen net en nu de warmte vervlogen
   ik heb geen poot verzet
   als onderdaan van mijn gedachten
   geen stap tegen de ontvoering

als mijn verzorgers mij met morfinenaalden beschieten
lig ik in mijn nest, gekwetst
wacht ik op het protest van de een of andere activist
die zich meer om mijn welzijn bekommerd dan zijn eigen
   vele malen meer dan ik

ik lig dan in mijn nest
totaal relaxed
tot ik vergeven wordt tegen voedertijd

Zicht

laatst
ik ben mijn gehele zicht
  in de nacht kwijtgeraakt
blind van woede en angst riep, nee gilde ik om mijn vader
  maar ik was verlamd
  aan het bed geketend

vanuit die cocon bezag ik het leven
  haarfijn, ik zag ongefilterd de conclusies en concessies
  en wist waar ik messcherp snijden moest

maar het werd dag
en ik nam meer waar
ik was niet alleen
  ik was samen
  en probeerde terug te grijpen naar de helderheid van net

het was mistig
mistig en bewolkt

Lispelen

de storm bijt aan alle kanten van zich af
laat zich niet vangen, ze is niet te strikken vannacht,
zelfs niet met sluwe netten van de kapitein
die volhard aan het roer staan blijft
met strakke blik vooruit

de storm vleit alle kratten van zich af
laat zich niet stangen, ze is niet te stikken vannacht
zelfs niet met stutten en pegels van de man
die straks zijn voetenwerk gade slaat
volhard aan het roer geklonken

      hij is op jacht
      hij dondert, zonder medeleven
      rakelings langs messcherpe rotsen
      met het idee van een matroos aan zijn zij

         (het idee ervan, zijn interne dialoog)
als hij zich warmer had ingepakt die koude nacht
was zijn huid niet zo gebarsten
had hij zijn tedere kant op het lijf aan de kust over kunnen brengen
nu kust hij alleen ruw en soms
soms niet