Recent

Poppenkraam

ik stond laatst in de supermarkt
    (lees dit als een liedje
     zo’n wijsje wat in je kop gaat zitten, argh
     zo’n wijfje, maar dat kan niet meer, meneer, wat lispelt u nu)
eenrichtingsverkeer, het gangpad, de lijm, het is glutenvrij, asbestvrij,
  we eten cornflakes zonder zorgen want de bacterieën zijn al lang gedood
holladijee
    DOOD

om maar even met de deur in huis tuin en keukenafval verbijsterd naar de koffiefilter staren
  was het dan niet zwart op wit gedrukt?
en ik was dus mijn pinpas vergeten ik was mijn kleingeld kwijt ik had mijn kleren in de droger achtergelaten
en ik was dus mijn poespas vergeten
  mijn carte blanche, crème brûlée, kijk mam, ik kan zonder handen
  waarop stond FJKMC339M (dat ben ik, volgens het systeem)
  en nog meer feiten in allerlei hoeken gemeten
  dat ben ik, volgens het systeem
    — fout, en dan begin je van voor af
        aan en af
            [tands
             teen]
    
    dus ik stond laatst met mijn mond vol tanden
      en dat was zo gek nog niet

maar
    ik blijf maar zonder vleugels over het asfalt sjezen
    ik blijf maar zonder het beter te weten input geven
    ik blijf maar zonder
    ik blijf maar afgezonderd op zolder mijn nagels lakken
        en ze zijn toch al perfect

toch
al
perfect
zo is ’t (maar net
          of lat
            er toch ondermaats, blijkbaar)

zo is ’t maar net (zonder accent of connotatie, dit keer)

Buiten

ik deed vandaag de deur naar buiten open en ademde de wereld in
stukken stad en stoeptegels bezaaid met poedels en verlangen waaiden in mijn gezicht
ik sloeg mijn sjaal drie keer om en hapte toe
ik deed de deur open en ademde de wereld uit

en dagen later gonzen echo’s van een dag die zich aan tijd en ruimte onttrokken had nog door mijn hoofd
uitgelaten kreten met een eigen leven, op twee benen, vol stille overtuiging
“het kan niet waar zijn, ik droom toch
hoi, je bent mooi, hallo”
een schuifdeur die sluit en een ander die in een golfbeweging wagenwijd openzwaait en kraakt
“welkom, je hoort erbij”

ik lig speels op mijn buik in bed en puzzel een mozaïek ineen
ik kleur de vakjes, vul mijn vacht met nieuwe tinten
ik breek het licht in tig fragmenten en leg ze op kleur en vorm, op geur en functie

ik zit op bed en wacht tot de dag mij wast
en toedekt in wolken donzen dekens
en dan lacht, “hallo, je hoort erbij”

Advies

denk je soms op maandagmorgens “goh, ik heb wel trek
in nutteloos advies, een grammetje of wat,”
en speelt het jou dan parten als je mij belt op nul-zes
en de bezet-toon hoort, of voicemail

dan heb ik wat voor jou, heer, dame, en sprankje hoop, goedkoop:
de wijsheid die ik daags als deze in de wereld strooi
is ook uitstekend gevriesdroogd te bewaren, of gepekeld,
als hammetjes aan de balk

’t is dat je mij dan drie maal in de maand wat water geven moet,
en niet te laat de euros op mijn rekening verschijnen doet

Zoals het bedoeld was

de kaasboer vraagt of het een half ons meer mag zijn en mijn handen zijn al vol, al bomvol, mijn handen zijn veel te groot om de wereld te omvatten, om al het moois buiten overdag in het wild te bevatten
hij houdt het hele wiel kaas in zijn armen als een kind, het hele wagenwiel
stuurloos, besluiteloos beweegt hij tussen de weegschaal en het mes en “proef een blokje, neem een stukje”, neem een blokje om en ik voel me herboren, ik voel mezelf weer
  ik tast mijn grenzen af, tast ze aan, af en aan
en af en toe weet ik het ook niet meer, het is zo moeilijk, moeilijk om niet mij te zijn, om alles te laten verwateren, om als een aqaurel mij onzichtbaar in de gewone wereld te mengen, terwijl ik er toch toe doe, en een mening heb, een oordeel en een megafoon, een kleintje, althans

mijn handen zijn al leeg, ik heb alles al gegeven en kras kris-kras krasloten af, tuur door mijn verrekijker naar vergezichten, verder naar geluk en geluk heb ik, hier heb ik het, ik ben ervan doordrenkt, ik ben zo vol van alles dat ik alleen als sterke drank over de toonbank mag, hooggedestilleerd
ik maak een vuist, het is zo dat ik diep in de ogen van de wereld van mijn fantasie kijken wil en uitroep “ja! ja – zo was het precies bedoeld!” en ik weet dat ik het niet bij het rechte eind heb maar toch, vol overtuiging knik ik en kruis ik met rood potlood het vakje “ja” aan
ja ik wil in wit met uitgestreken gezicht een leugen van eeuwig leven blind herhalen, ik wil een half ons meer, een halve eeuwigheid, en die verloren tijd dubbeldik op mijn toastje smeren

Twee schoenen

twee schoenen met een man erin wensen de rook vol vuur een goedenacht
aan de bosrand waar het bos nog brand en het smeulend in mijn longen dringt
ik ben de man die in het vuur verzinkt, de man die in het vuur verzengt en tot over mijn oren in schuld en schietgebedjes uit de as herrijst
verbitterd, volhard en dor

ik ga in vlammen op, vurig verteer ik alles met huid en haar, rijt de wereld woest uiteen
en lig gespannen opgekropt in de luwte, ’s avonds alleen aan tafel, mes, vork, bord, een tig-delig servies
een reconstructie uit scherven van mezelf, statig in vierdelig pak
met mijn handen in het haar en mijn hoofd in mijn handen
  waar ben ik beland
  waar ben ik gebleven

twee schoenen met een man erin groeten aan de kustlijn de schemering
een wiegen als het wier, weerbarstig als de stroom
roepen om het eb en verwaaien, een kreet die op de rotsen sterft,
en zacht:
  ik ben verdwaald, ik had een kaart in handen, een route naar buiten, een opgevouwen plattegrond, ik hield de troef vast, net, en
  nu wil ik niets meer,
  wil ik mezelf vervagen
  aan de tekentafel zonder jas met een gum en meer lood dan ik schetsen kan, meer ruis dan ik hebben kan
tot over mijn oren in schuld en schietgebedjes
dor, bitter, hard

Geen poeha

dat je jezelf in de spiegel feliciteert, een droevige taart, een stapel pechkoekjes
kaartjes met gelukswensen voor iemand anders en zwarte balonnen
een klein, heel klein stukje veganistische biologische taart, zonder suiker
dat je blij doet voor de foto maar stiekem weet

straks ga je naar de Appie en koop je tompoezen en appeltaart en krijgt niemand iets
eet je alles in je eentje op en stuiter je zo je nieuwe levensjaar in
en zet jij The Beatles op ook al maakten die geen verjaardagslied
geen poeha, geen fratsen, gewoon, jij, en de essentie van jouw jarigheid

Uit het niets

ik sta hier als danser op een onzichtbaar koord, met tutu en spitzen in lila
en als ik ronddraai en in mijn bovenarmen knijp ik me zo wakker voel, ik me zo, zo levendig voel
ik sta hier als een wervelwind in een sneeuwbol
om uit het niets een leeg huis met warme adem tot leven te blazen
een spontaan ontstaan, een achterhaald concept als paardenmiddel tegen hysterie weer ontzettend in trek
als ik op mijn fiets met rugzak en een rijzweepje de straat van mijn ouders uitrijd

om vanaf vandaag per briefpost handen vast te houden – zij, daar, en ik, hier
een telepatische kus, een koelkastmagneet als souvenir
al heeft de stad Parijs nooit echt tot mij gesproken

een tunnelvisie, een razend naderen van de val na het hoogtepunt
als een glijbaan in het pretpark om met tig maal de ontsnappingssnelheid dit hemellichaam een afscheidsgroet te brengen
en tussen tal van planeten te weerkaatsten, in z’n vrij rond te zweven
met sterrenstelsels in de palm van mijn hand en sterrenstof tussen mijn tenen de kust afstruinen, op zoek naar goud
een beetje pseudowetenschap, een beetje inschatten of ik al in een duinpan tot rust kan komen

in de baan van een ander, op de tast op zoek naar een onzichtbaar ongekend onontkoombare aantrekkingskracht
een dans zonder fusie, een flashmob op Antwerpen Centraal en die ene tel dat ik mijn ogen sluit dat zij dan dichterbij komt staan en we door de ruimte tollen, aan elkaar vast en vast ook eens los, dan weer vast en zeker zonder elkaar in de armen van een ander

om lachend, uitgeput, in donzen kussens te belanden
en als de storm zijn rust hervindt
om nog vlokken sneeuw op mijn lila schoenen terug te vinden

Zacht als schapenvel

het is alsof er gezang klinkt maar ik weet dat het doodstil is – opzwepend, subtiel, aanwezig
alsof er een magneet boven mij zweeft en ik ook, alsof ik ook zweef, in de lucht drijf, als een vis in het water, als een lijf in de stroom
het is alsof ik niks meer wil, niks meer hoeven wil, alsof ik alles al heb, alles wat ik hebben wil heb
of ik mijn hoofd nou links draai of naar rechts ik de tropen zie en de zon schijnt

dat ik ik doodsbang ben dat de spiegel breekt, ik alleen met mijn lego op zondagmiddag achterblijf, als een eenzame violist in het Concertgebouw
    het intermezzo
        thuis bij mijn ouders de trap oprennen, één meter zestig en megawatts aan energie in mijn nog niet volgroeide lijf gepropt
        vol overtuiging dat ik het juiste doe mijn fietsband op blijven pompen, tot onvermijdelijk de overtuiging, de band, de hele show uiteen klapt

alsof ik me vol vertrouwen achterover laten vallen kan en weet dat ik ooit wel landen zal
dat ik opgevangen wordt door handen zacht als kattenpootjes
in golven wit als een schapenvel

Spontaan

dat ik thuis zit op mijn driezitsbank van gerecycled leer, Miele-fornuis en koelkast met vrieslades, alarm als je hem te lang open laat staan

na een dag telewerken, digitaal hallo, digitaal vaarwel
een gesprek met de koffiemachine thuis waar ik hem over mijn escapades van de dag ervoor vertel, hij espresso maakt

ik overweeg ontslag te nemen
in een Tibetaans klooster het leven te overpeinzen
maar ik heb zo veel meubels dat Shurgard mij geen hokje verhuren wil
en ook mijn ouders mij te kennen gaven dat mijn kinderkamer door het logeerbed ingenomen is een de muren wit zijn

dat ik onderuit gezakt op de bank dan nadenk over een kat uit het asiel, of twee
Mies en Mimi, mevrouw de voorzitter en de secretaris
maar het dan niet doe, uit angst voor de haren op mijn nette pak

Vingers op de lippen

op het bureau van de houten man staat een scheepje in dubbelwandig glas
wassen planeten draaien een baan rond de archiefkast
zelf is hij afwezig, denkt hij aan Pluto, staart hij afwezig
naar de zeemeermin buiten in de regen
die zacht een liedje zingt

de steegjes hangen vol met lampionnen die op de westerwind heen en weer wiegen
een kipperlicht geeft zonder haast een richting aan
een dirigeren, een vinger op de lippen, een geluidloos duwen
een vallei vol mist waar de automobilist uit puur geloof weet, een rotsvast vertrouwen heeft
in het huis dat met open haard en warme sloffen op haar wacht

in al die tijd is er niemand geweest die zo mooi lachte
die zo mooi de was vouwde
die zo mooi was als de zeemeermin

zo doordrenkt van dennengeur het bos de wereld in haalt
in langgerekte avonden de leren bank versiert
de man windt zijn horloge op en wacht tot hij weer verder gaat met wachten
op de duif die buiten op de vensterbank zacht een wiegenliedje zingt