Recent

berichten met de tag 'afscheid'

Weerzin

Ze wast zich in stilte. Een parelwitte badkuip, staand op gouden leeuwenbeeldjes, biedt ruim plaats. Uit het huis klinkt vioolmuziek. Als haar man nu de trappen op zou komen, de schuifdeuren die toegang tot het dakterras geven openen zou, het zou haar niets verbazen.
Met een klein, kirrend lachje trekt ze de zwarte plastic stop uit het putje. Het overtollig water wordt via de dakpannen door de regenpijpen weggevoerd, aanstormende irrigatie voor het droge noorden.
De leeuwen zetten zich schrap tegen het schuine dak als zij zich aan de rand van het bad omhoog hijst en op haar tenen naar buiten stapt.
Ze wringt haar kleding en haar uit. Schudt zich uit, strijkt langs haar flanken. Dan stapt ze het raam door, de dag in, wulps en plots tegelijk.

De veiligheid in mij

Een terugblik leverde nauwelijks nieuw inzicht op. De weinige ontdekkingen die we deden kwamen klam, als de palmen van onze in elkaar gevouwen handen. Angstig, angstaanjagend, eender en leeg.
Zonder dat er een introductie, een opmaat, of wat dan ook geweest was begon hij. Broeierig weer, op zich was ik het met hem eens.
Zijn manier van zaken aan de kaak stellen had iets ontwapenends, naakt en direct, franje weggelaten en ondanks de scherpte nooit kwetsend. Als je nadacht, althans.

Ik voelde me gesterkt door zijn woorden, tot mij gefluisterd terwijl ik in het openbaar aan zijn voeten zat. De tijd zwierde voorbij en met haar alle vreemde talen en mij ongewone gebaren. Hij bracht het terug tot een kern van betekenis voor mij.
Met die klank nog resonerend, lang voordat hij wrang werd, steeg ik op en had ik ons dak gelegd.
Ik wist dat ik nu de kracht had en in deze lichtflits, in het midden van deze openbaring zag ik helder voor me dat ik altijd hier terug kon keren. Waar ik ook was, de veiligheid die ik zocht was in mij.
Ik zwierde voorbij, een engel voor hem, met vuurrode haren.
Het waren onze betere dagen, met een leesfauteuil, een lessenaar op het grote plein. Tussen de wegwerkzaamheden, in het midden van de bouwput. Fier overeind, hoofd zo gekanteld dat de wind zijn oorlel aaide, net als ik.
Hij sprak rede en werd gehoord. Het begin van een revolutie en iedereen die door hem bezwangerd wilde worden. Hij was alleen van mij, gifgroen en met malende tanden, die broos in de mond uiteenvielen als hij mij sussend toesprak.
De menigte wilde meer.
Het geld stroomde binnen en na niet al te lange tijd telden we schelpen aan de zee. Zout zand klittend in onze haren.

Nu was dat voorbij.
Een dal.

De kleine witte motorboot schampte mijn eenmaster. Het kwam allemaal veel te dichtbij. Ik schreeuwde luid, wenste de agressor tetanus, malaria toe.
Ongedeerd door mijn roepen zwenkte hij eerst naar rechts om vervolgens weer op ramkoers mijn vaarwater trachten te kruisen.
Ik kon de stapels boeken aan bord zien liggen, kon de titels op de natgespatte kaften lezen terwijl zijn schurftige kop weer dichterbij kwam.
Met heel mijn lijf wilde ik hem tot zinken brengen, hij in dat aftandse bootje van hem, en

We lagen in elkaars armen, veel te gecompliceerd. Jaren na dit aannemelijk was, om ons jong te voelen. Volkomen uit ons doen.
In een poging taai te lijken verbeten we ons en ik bedacht me dat hij zich ongetwijfeld opofferen zou. Hij dacht ongetwijfeld hetzelfde, zoals we vaker in ons ongeluk tot een werden.
In de toekomst hadden we niets. Nadat we alles gespendeerd hadden waren we arm.
Na alles uit te geven waren we naakt.

Schuilen in rust

zijn vogels kennen
   geen trek
en wanneer hij
zijn hoofd te ruste legt
ademt ook zij
 zachte wolken in zijn schoot

onder de naalden
   ruist hij
en fluistert zij hem
 haar stuk toe

geborgen draden vallen
 rank van haar
 en schampen zijn armen licht

aan zijn windsels voelend
zoekt hij de schuilplaats op
waar hij haar gedachte
loom in zijn armen wiegt

In search

Number 2 of 3
of English poetry
for my international friends

lost in far-stretching plains
we hunt for a helping hand
“let’s choose to disbelieve,” I boast
she shakes her head silently

I can tell her heart is melting
but she beams with ice cold eyes
as I run my fingers through her hair
and mine too, desperately

“read my lines,” I encourage her
“read what’s written in between”
but as the dusk she fades
and only mutters quietly

Bloemen

het boeket vonkt explosief
gutst uit ijzeren kannen
verscheurd kurk verkleurt
in de dode poelen stof

een fletse zon werpt ons wachten in grijs licht
de bel luidt, de laatste ronde vangt aan

stampers trekken terug
als de vloed ons overspoelt
en flarden achterlaat

bescherming tegen lege ogen
afgewende blikken negeren
het schor klinkend afscheid

de kraan staat wijd open
en als een spons
nemen we alles in ons op

Ontspruiten

Eén: zaak
        tanden door molenstenen geslepen
        diep in het slot verzonken, spoorloos

een kiloton aan bommen regent doelgericht neer
een paraplu en inflatie voor ieder die bescherming zoekt
tegen zichzelf.
Dood, veilige overtocht, een kansspel waar je maar
één keer inzet. De rekening volgt, kijk omhoog:

Twee: het inperken van tijdelijk
        in deze onmeetbaar kleine tel
        bevrijdt de schreeuw zich
        vloedgolven die het tij niet keren
        het ontspruit, bloeit op en overwoekert
        al het andere grijze geruis

Wij blijven elkaars harten,
twee als één
(systematisch openrijten)