Recent

berichten met de tag 'dood'

Veinzen

na ontelbare slapeloze nachten
ben ik naar buiten getreden
in mijn slaapkledij
weerloos tegen de zwarte lucht

met diep gekloofde voeten
sjok ik over het hete asfalt
mijn hoofd hangt berustend
de veroordeling is onvermijdbaar

ik zuig mijn longen vol
teer op vervolgen hoop op gratie
loos als mijn poging tot beteren
tevergeefs had ik het leven in pacht

met bebloede knokkels vocht ik lang
tegen de onvermoeibare zee
geen slag gaf mij voldoening
zelfs de ondergang liet me koud

ik bid om het branden van een kaars
maar er is geen nabestaande bereid
mij een laatste eer te bewijzen
niemand die mij gedenken wil

drommen mensen komen bijeen
smalend lachen ze om mijn lot
ze dralen om mijn eind te aanschouwen
dat ik betraand aanvaarden zal

De veiligheid in mij

Een terugblik leverde nauwelijks nieuw inzicht op. De weinige ontdekkingen die we deden kwamen klam, als de palmen van onze in elkaar gevouwen handen. Angstig, angstaanjagend, eender en leeg.
Zonder dat er een introductie, een opmaat, of wat dan ook geweest was begon hij. Broeierig weer, op zich was ik het met hem eens.
Zijn manier van zaken aan de kaak stellen had iets ontwapenends, naakt en direct, franje weggelaten en ondanks de scherpte nooit kwetsend. Als je nadacht, althans.

Ik voelde me gesterkt door zijn woorden, tot mij gefluisterd terwijl ik in het openbaar aan zijn voeten zat. De tijd zwierde voorbij en met haar alle vreemde talen en mij ongewone gebaren. Hij bracht het terug tot een kern van betekenis voor mij.
Met die klank nog resonerend, lang voordat hij wrang werd, steeg ik op en had ik ons dak gelegd.
Ik wist dat ik nu de kracht had en in deze lichtflits, in het midden van deze openbaring zag ik helder voor me dat ik altijd hier terug kon keren. Waar ik ook was, de veiligheid die ik zocht was in mij.
Ik zwierde voorbij, een engel voor hem, met vuurrode haren.
Het waren onze betere dagen, met een leesfauteuil, een lessenaar op het grote plein. Tussen de wegwerkzaamheden, in het midden van de bouwput. Fier overeind, hoofd zo gekanteld dat de wind zijn oorlel aaide, net als ik.
Hij sprak rede en werd gehoord. Het begin van een revolutie en iedereen die door hem bezwangerd wilde worden. Hij was alleen van mij, gifgroen en met malende tanden, die broos in de mond uiteenvielen als hij mij sussend toesprak.
De menigte wilde meer.
Het geld stroomde binnen en na niet al te lange tijd telden we schelpen aan de zee. Zout zand klittend in onze haren.

Nu was dat voorbij.
Een dal.

De kleine witte motorboot schampte mijn eenmaster. Het kwam allemaal veel te dichtbij. Ik schreeuwde luid, wenste de agressor tetanus, malaria toe.
Ongedeerd door mijn roepen zwenkte hij eerst naar rechts om vervolgens weer op ramkoers mijn vaarwater trachten te kruisen.
Ik kon de stapels boeken aan bord zien liggen, kon de titels op de natgespatte kaften lezen terwijl zijn schurftige kop weer dichterbij kwam.
Met heel mijn lijf wilde ik hem tot zinken brengen, hij in dat aftandse bootje van hem, en

We lagen in elkaars armen, veel te gecompliceerd. Jaren na dit aannemelijk was, om ons jong te voelen. Volkomen uit ons doen.
In een poging taai te lijken verbeten we ons en ik bedacht me dat hij zich ongetwijfeld opofferen zou. Hij dacht ongetwijfeld hetzelfde, zoals we vaker in ons ongeluk tot een werden.
In de toekomst hadden we niets. Nadat we alles gespendeerd hadden waren we arm.
Na alles uit te geven waren we naakt.

Teer

kleine vlammetjes branden in mijn gezicht
likken aan mijn wenkbrauwen, mijn wangen
ik heb me schor gehuild vannacht
in een veel te grote kamer
alleen met mijn verdriet

ik teer op mijn laatste ademteugen
dorstend naar wat verse lucht
de leegte neemt me in zich op
het beetje warmte sijpelt
uit de grijze sintels weg

om mij heen heb ik spullen verstrooid
hun nut verloren in enkelhoog as
het is te lang al te veel geweest
in dit ongeremde draaien
zonder levenskracht

best naar

scherp is niet verplicht
als het maar zaagt, doorzet –
en drukfouten voor zich houdt

de dood is kreupel,
benen stukgeslagen
jongeren, hij zal ze wat
vertraagd ophalen
hij is laat, ze toonden
geen respect voor traditie

stil wacht hij op de tien
er drijft mist om zijn lichaam
heel ver weg doemt een vals licht op
verontwaardigd komt hij
overeind, zijn truc, zomaar
door een ander hem ontnomen

      de bus rijdt door

de dood is kreupel, rillend
wacht hij bij de bushalte
maar niemand biedt een arm aan

dood.

dood.

Bloemen

het boeket vonkt explosief
gutst uit ijzeren kannen
verscheurd kurk verkleurt
in de dode poelen stof

een fletse zon werpt ons wachten in grijs licht
de bel luidt, de laatste ronde vangt aan

stampers trekken terug
als de vloed ons overspoelt
en flarden achterlaat

bescherming tegen lege ogen
afgewende blikken negeren
het schor klinkend afscheid

de kraan staat wijd open
en als een spons
nemen we alles in ons op

Een rood middelpunt

     -1 – Voorspel

In vijf minuten had ze genoeg moed opgebouwd om om de hoek te kijken. Hij zat omgedraaid, zij kon veilig langs zijn kantoortje sluipen. Gaandeweg merkte ze dat ze te langzaam liep. Ze probeerde te rennen, maar hoe sneller ze wilde, hoe langzamer ze ging. Zou het omgekeerd ook werken? Ze ging liggen en hoopte dat haar lichaam dan zou meewerken, dat het dan wel vooruit zou komen.
Niets was minder het geval. Ze probeerde overeind te klauwen maar zakte door de vloer alsof het drijfzand was, zakte en viel en…

Achterstand

turend in de verte
sterft een boom

zij en ik een
overeenkomstigheid

bloemen leggen aan haar graf
   een rede waar iedereen op
      hun eigen einde wacht
   twee woorden en een halve traan

negatieven in het donker
als een eindig
stijgend spoor gelegd

waarlangs de knoppen
in hun zacht kloppend hart
de nacht door midden breken

Groen en grijs

in een veld van groen en grijs
drijft met een stroom van tranen mee
mijn opgebruikte lijf

met niets om
tegen, met of
voor te vechten

en niemand over
om aan te hechten

als na het zachte slotakkoord
ook de laatste cello’s zwijgen
legt mijn hart zich zuchtend neer
bij het coda dat ze streken

geen lach, geen groet, geen laatste wens
geen warme hand verlicht de kilte
langzaam breek ik door de grens
en komt mijn gedachtenstroom tot rust
mij rest alleen nog stilte

Broodje kaas

Op het tafeltje van karton en fantasie lag een laatste herinnering aan jouw afwezigheid. Onder het tafeltje lag het huilende hoopje vertrouwen in het mezelf ooit nog kunnen verenigen met onze kleuren. Verenigen om dan definitief gedag te zeggen. Gras of mos contrasteerde niet met wat jij voor plannen had, zelfs na ze je overwoekerd hadden.
Mijn ogen dwaalden, nergens heen, de plek waar ik zo graag wilde zijn, dat ik de woorden ervoor verloren had.