Recent

berichten met de tag 'leven'

Oogst

ik sta te popelen, het is zaterdag kort voor het middaguur
de koude koffie smaakt naar thuis en ik laat mijn haar als regen vallen
ik wil dit, ik vat de wereld samen, tol rond in opgeschort momentum en ruik het avontuur, zanderig en warm

tot het startschot klinkt en ik schreeuw en dans, zacht met mijn heupen wieg
ik ben niets, niets, en schiet als vuurpijl tot grote hoogte, pluk de melkweg en vouw die als origamiblaadje tot een bloempatroon

een geruis, de Efteling, het universum als verzetje
ik maak het mooiste neoklassiek paleis van mijn flatje, driehoog
robes en robijnen, een rode loper voor de gast die de tweede ronde uit zijn open armen rollen laat
en bij mij, idolaat, erop staat dat ik de taart aansnijd, de eerstgeborene
bruid en bruidegom met haar, huid en ingewanden tot mij maak

ik wil dit, ik wil dit o zo graag
en zwem in de euforie van spanning waar wrijving meer en meer energie maakt
tot ik duizelig en zielsgelukkig langzaam afdaal
kop, hart, tenen en al mijn gedachten tot een bal draai
en als vrucht naar de wereld draag

Spiegelglad

in het midden van het spiegelgladde meer drijft een bootje, peddels binnenboort, anker uit
een man in pak met regen in zijn hoofd als kapitein, al dacht hij nooit hier te staan
in zijn volgend leven wordt hij een schelpje, geen weekdier maar een omarming – een zandkorrel, een parel in wording
zodat hij zijn zoon verhalen over de zee en vergeten schepen in zijn oor kan fluisteren

in het midden van de spiegelgladde zee drijft een bootje, roerloos, een stip op haar gelaat
een streepjescode die veranderlijk de nieuwe dag opgetogen groet
een vrouw in haar volle glorie, al dacht zij nooit dit punt te bereiken
ze was eens iemands trots, tot ze erachter kwam dat ze benen had en de wil om zelf te scheppen
zodat ze de kust met rust kon laten en haar carillion naar de goden luiden kan

in het midden van het doolhof ligt een spiegel, een poort naar ontkenning, een glazen bol op wacht
tegen middernacht licht de hemel op en suist er een spreuk die de wereld onderdompelt
de vrouw en de man blijven onafscheidelijk, ook al herkennen ze de ander alleen als ze koosnamen zuchten
en de rivier glinstert zacht, vrij van golven

Kleurenwaaier

na jarenlang zwemmen kom ik boven water in de compressiekamer – muziek klinkt en ik word langzaam wakker
ik droom dat ik op tienduizend kilometer hoogte zweef en het buiten regent, dat ik in kussens genesteld dood ga
ik voel me heel erg klein en ik kruip door het sleutelgat, ik kom aan de andere kant van de wereldbol boven aarde
in de tussentijd gebeurt er niets en toch van alles, verveel ik me en koop ik veel te dure koffie

ik ben op doorreis en zie flarden:
    in de ochtend trekt de roofvrouw langs en kleurt het landschap een hartelijk groen
    het tempeltje aan de voet van de heuvel herbergt een zwerfkat die vandaag jarig is
    in de doe-het-zelf-zaak pakt een chick in mantelpak een broekpak uit en wuift haar partner kalmte toe met een kleurenwaaier
    de tl-verlichting laat de wetenschapper lang doorwerken aan zijn antropologisch onderzoek naar discipline

te midden van de stoomtijd maakt de vrouw van mijn dromen haar entree
ze zegt in alle talen die ik ken welkom en ik staar sprakeloos naar haar vleugels
ik kan alleen maar denken aan ontbijt en hoe ik om haar hand vragen kan, wat voor wijn ze lust

in deze wervelstorm raak ik mijn stembiljet kwijt, een verkreukeld vel
en besluit mijn eigen stadsstaat te stichten, contemporair, zonder zorgen om het onbekende

ik dacht dat ik altijd rennen kon en spelen kon en nooit vertwijfeld naar mijn lege glas zou staren
maar ik ben verdwaald en heb heimelijk mijn doel al bereikt
ik draai het assenstelsel om, in verwachting van mijn tweede tol ik rond
ineengedoken, als een man die vroeger oud wilde worden, en nu op geleende tijd de stroom tracht te volgen

Ik was zijn voeten

binnen op de sofa lak ik mijn teennagels in donkerpaars
buiten raast de metro voorbij
ik vang een blik, een man die met zijn kamerplant naar de zon reist

ik wapen mij in brons, ik ben zachtmoedig en toch slecht geluimd
zijn badlaken hangt in de wind aan de waslijn verzand
de aardewerken pot naast de deurmat, het buxusstruikje aan de voet van mijn flat
hij trekt zijn schoenen uit voor hij binnentreedt en ik was zijn voeten, ik verwelkom hem in mij

we zijn uit hetzelfde stuk zeep gekneed
een rozenblad en een wens om iets exotischer te zijn

ik ben iets meer dan mijzelf
een warme augustusavond op een dakterras in Napels
waar ik nog nooit geweest ben
waar ik met ontblootte borsten paradeer voor mezelf alleen
al mijn marktwaarde al jaren vervlogen
en waar ik op geleende tijd verder leef
mijn jeugd herdenkend
als ik schapen scheren mocht in de lente
en de wol in saffraangeel verfde
– ik vraag me hardop af of ik het nog in me heb,
  de kunst iets als avontuur te nemen,
  iets nieuws in me op te nemen en dwaas te omarmen
  om ’s ochtends in de douche vies van mezelf mij wederom te vergeven

in de kussens weggedoken geef ik ze namen, alle tien mijn tenen
als guppies in een aquarium
terwijl ik de zijne glad vergeten ben

ik verklink zijn benen, ik giet hem in cement
zo is hij een wolf, zo heb ik hem getemd en is hij de mijne
draag hem aan mijn vinger, slaap met mijn hoofd op zijn borst in

en ik de gang ontkiemt het zaadje in de aardewerken pot
om zonder onze moede lijven
de toekomst te bezien

Kwijt

Zie hier, met voetnoten, een tweedeling
een van de tweeling heeft al lang de benen genomen
alleen een corpus lege woorden is nog te vergeven
één: tegen kost en inwoning
twee: tegen beter weten in
hou ik me vast aan idealen die ik zelf niet onderscheiden kan
  mijn wetenschap, mijn experiment, mijn proeftuin en controlegroep
  alles is in een verpakt – een jasje aan, een badge erop en de voordeur uit, verkopen maar

Te lange nachten en lang waken, kaarsen, angst voor koolstofmonoxide
trillende benen, een vaste stem en bluf waar de praktijk te moeilijk bleek
verstrengeld met een vreemde vrouw in parelwitte dekens, ik wacht tot ze het warm heeft
  ik wacht tot ze verdwijnt en ik mijn handen ergens anders warmen kan, bij een ander mijn jaarringen tellen mag

Stukje bij beetje raak ik mezelf kwijt, ik versplinter
en als ik dan mijn ogen open doe en op de klok kijk
de bezem zuchtend oppak en de scherven opveeg doorzie ik het mozaiek

Ik stel de legpuzzel samen en kijk het resultaat in de ogen – het is een spiegel
ik pak de teugels en keer de kar, hotsen, bonzen, traag keer ik in mezelf
ik dorst naar water of naar wijn maar d ebeker blijft leeg en het meer blijft spiegelglad
  en waar ik ook kijk of om mij heen grijp – ik ontkom niet

Blijf

ik sluit de deur achter me,
  goed voorbereid knijp ik mijn ogen toe tegen het licht
en de wind wervelt door mijn haar — ik ben gigantisch
alles omvattend in mijn klein domein, rijkdom en rijk, mijn wereld,
mijn gedachtenwereld waar ik de heerser ben
dat, juist dat laat ik achter me

in een witte kamer zonder deur klauw ik om me heen
 ik probeer mezelf te graaien
 maar vang alleen maar lucht
 ik snak, ik dacht, ik geloofde heilig,
 het was alleen een momentopname, geen nachtenlang gebral, geen vacuum
ik draai, ik wacht,
 zet mij maar op beide benen,
 strand of stad of stal geen voorkeur, zolang ik maar een vaste vloer voel,
 een basis om mijn grootsheid uit te dragen, verzucht ik

 en ik blijf maar diepvriespizza’s eten op het bed in het hotel
 en ik blijf maar afhaalmaaltijden bestellen op het bed van het hotel
 en ik ik blijf maar geld betalen
 en ik blijf maar niets verlangen
 en ik blijf alleen
en denk aan gisterochtend, ik was vastbesloten en ook dat verdween ineens
ik houd een lege mok in mijn handen, nog warm
 een lege troffee
een vaandel waar ooit twee namen op geschreven waren
en nu nog maar een half

Zonder kompas

ik heb een bootje op de kop getikt
een bootje voor twee
een scheepje om met jou in weg te varen, ga je mee?

ik wil je haren zien, zien hoe ze dansen in de zon
en aan het einde van een zeemans-dag
langs jouw gezicht over mijn wang strijken

    en als ik dan het douchegordijn wegtrek dat je daar in de mist staat, naakt, in al je complexe vormen
terwijl de tijd wegdobbert
ik smijt het anker en het kompas overboord
wij mogen voorlopig blijven, standvastig, dolen, blijven gissen naar het noorden

dat ik hand in hand met jou op de steven sta, ogen stijf dichtgeknepen
we wachten op een cadeau
(ik zie eilanden samengroeien
ik vang vuurvliegjes in een brokje amber
ik versteen de tijd)

de zee trekt me wel, de stilte, de eenzaamheid
het wegdromen op de golven en tijd exclusief voor jou en mij

    en als ik dan door je haren strijk en alleen maar zeewier vasthoud
in mijn zwemvliezen die ik niet heb
ben ik niet eens rouwig, niet eens teleurgesteld
gewoon een beetje leger dan voorheen

Superman

vandaag ben ik praktisch superman
en red ik vrouwen als tussendoortje
ik ben ongelofelijk – dat staat vast
  in de file, en maar wachten
  een arm nonchalant uit het raam
  een sigaret smeult
 maar zo voel ik me niet

 
ik laat de hele aarde klappen, een applaus, een ongelofelijke desinteresse
de waarde die ik aan de wereld geef wordt in uren uitgedrukt, minutieus gemeten
reageert de president gebeten:
  “ik belde geen 06-SUPERMAN,” einde citaat
hij verlangde slechts naar het einde van zijn ambtstermijn
een dagje vrij om met de kids aan het strand te zonnen
zonder klimaatproblematiek en diplomaten

hij lijkt bijzonder veel op mij in de spiegel
beiden vragen we ons af hoe we hier in godsnaam beland zijn
en zoeken polytheïsme om te vragen
 hoe we ons hier in godensnamen uit kunnen redden

 
we roeien met de riemen die we hebben:
– vegetarisch eten, in elk geval flexitariër zijn, maar soja slurpt liters water
– samen eten met een dakloze, maar hem niet verder kunnen helpen
– geld doneren naar Afrika, althans, als je het IBAN-nummer weet te onthouden, maar de baas drukt vijftig procent over
– de afwas van gisteren staat nog

 
ik ben dus superman, dat zei ik al,
ik vraag me af: kan superman ook staken?
  of ontslag nemen?
dan wist ik het wel – dank je wel

Dromen

ik draai mijn hand om en zie!
een hele nieuwe wereld
bezaaid met oude dromen

ik wilde machinist worden
wilde dat mijn knuffels leefden
wilde een ijsje

en kijk mijn ogen uit
naar wat hiervan is overgebleven

slechts een meter negentig
een baan en een pak

en een stil verlangen
om in het midden van de nacht
van huis weg te lopen

Gesloten

op de open zee heeft de kapitein zelden spijt
   de golven relativeren
   de golven spoelen weg
   ze zussen hem in slaap
   ze is alleen thuis
      goudblond kroeshaar
      en verhalen van mijlen ver

   een blok over de reling en
      hij gromt
   zijn verkozen nadenk-grom
   antwoord op het zingen van de zee

aan land betreurt hij ooit walvisvaarder te zijn geweest
   donkere dagen die
   tegen de stroom in
   nabij drijven

aan de kust geniete mensen van gezelschap
ze hebben warmte en liefde en vlees
en op het schip kent de kapitein alleen zijn staf
   nauwelijks bij naam, eigenlijk
   en de vrijheid
om te vloeken om zijn lot
en overpeinzingen, plicht, zijn spijt laten varen
als hem dat belieft