Recent

berichten met de tag 'liefde'

Ik was zijn voeten

binnen op de sofa lak ik mijn teennagels in donkerpaars
buiten raast de metro voorbij
ik vang een blik, een man die met zijn kamerplant naar de zon reist

ik wapen mij in brons, ik ben zachtmoedig en toch slecht geluimd
zijn badlaken hangt in de wind aan de waslijn verzand
de aardewerken pot naast de deurmat, het buxusstruikje aan de voet van mijn flat
hij trekt zijn schoenen uit voor hij binnentreedt en ik was zijn voeten, ik verwelkom hem in mij

we zijn uit hetzelfde stuk zeep gekneed
een rozenblad en een wens om iets exotischer te zijn

ik ben iets meer dan mijzelf
een warme augustusavond op een dakterras in Napels
waar ik nog nooit geweest ben
waar ik met ontblootte borsten paradeer voor mezelf alleen
al mijn marktwaarde al jaren vervlogen
en waar ik op geleende tijd verder leef
mijn jeugd herdenkend
als ik schapen scheren mocht in de lente
en de wol in saffraangeel verfde
– ik vraag me hardop af of ik het nog in me heb,
  de kunst iets als avontuur te nemen,
  iets nieuws in me op te nemen en dwaas te omarmen
  om ’s ochtends in de douche vies van mezelf mij wederom te vergeven

in de kussens weggedoken geef ik ze namen, alle tien mijn tenen
als guppies in een aquarium
terwijl ik de zijne glad vergeten ben

ik verklink zijn benen, ik giet hem in cement
zo is hij een wolf, zo heb ik hem getemd en is hij de mijne
draag hem aan mijn vinger, slaap met mijn hoofd op zijn borst in

en ik de gang ontkiemt het zaadje in de aardewerken pot
om zonder onze moede lijven
de toekomst te bezien

Blijf

een doffe bons
ik sluit de deur achter me,
  goed voorbereid
knijp ik mijn ogen toe tegen het licht
en de wind wervelt door mijn haar
 — ik ben gigantisch
 — alles omvattend
in mijn klein domein, rijkdom en rijk, mijn wereld,
mijn gedachtenwereld waar ik de heerser ben
dat, juist dat laat ik achter me,
ik zet er een punt achter

in een witte kamer zonder deur klauw ik om me heen
 ik probeer mezelf te graaien
 maar vang alleen maar lucht
is het al pauze?
 ik snak, ik dacht, ik geloofde heilig,
 het was alleen een momentopname, geen nachtenlang gebral, geen vacuum
ik draai, ik wacht,
 zet mij maar op beide benen,
 strand of stad of stal geen voorkeur, zolang ik maar een vaste vloer voel,
 een basis om mijn grootsheid uit te dragen,
  verzucht ik
 met mijn kop in mijn handen

 en ik blijf maar diepvriespizza’s eten op het bed in het hotel
 en ik blijf maar afhaalmaaltijden bestellen op het bed van het hotel
 en ik blijf maar geld betalen
 en blijf maar niets verlangen
 en blijf alleen
en denk aan gisterochtend, ik was vastbesloten en ook dat verdween ineens
ik houd een lege mok in mijn handen, nog warm
 een lege troffee
een vaandel waar ooit twee namen op geschreven waren
en nu nog maar een half

Zonder kompas

ik heb een bootje op de kop getikt
een bootje voor twee
een scheepje om met jou in weg te varen, ga je mee?

ik wil je haren zien, zien hoe ze dansen in de zon
en aan het einde van een zeemans-dag
langs jouw gezicht over mijn wang strijken

    en als ik dan het douchegordijn wegtrek dat je daar in de mist staat, naakt, in al je complexe vormen
terwijl de tijd wegdobbert
ik smijt het anker en het kompas overboord
wij mogen voorlopig blijven, standvastig, dolen, blijven gissen naar het noorden

dat ik hand in hand met jou op de steven sta, ogen stijf dichtgeknepen
we wachten op een cadeau
(ik zie eilanden samengroeien
ik vang vuurvliegjes in een brokje amber
ik versteen de tijd)

de zee trekt me wel, de stilte, de eenzaamheid
het wegdromen op de golven en tijd exclusief voor jou en mij

    en als ik dan door je haren strijk en alleen maar zeewier vasthoud
in mijn zwemvliezen die ik niet heb
ben ik niet eens rouwig, niet eens teleurgesteld
gewoon een beetje leger dan voorheen

Uit elkaar

hey hoi lieverd wanneer zie ‘k je weer
    aan het raam
    als ik aan de horizon naar een serenade—
    tuurlijk ben je bezig, druk, met groei
    pijn verwerven en met een stap,
        een overstap,
        een horde over

ik ben ook bezig
ik groei ook – kijk mij nou,
    de radslagen en salto’s
    die vroeger in het verschiet lagen
    toen we hand in hand naar later staarden

in de zacht verlichte kamer
waar ik uit de toon zong
en jij, vanuit de keuken
    terwijl je in de kast naar chips rommelde
zachtjes wiegend lachte

Vier dingen over mij

ik ben eigenwijs
ik vouw dubbel als een blaadje, blanco
aan beide kanten maar in mijn ogen gitzwart
met de gekste beweringen en spreuken
    ga mee naar het toverbos, het wild
    schiet schichtig weg en kijkt spiedend achterom

ik doe wat ik wil kunnen
ik doe maar wat ik wil kunnen

ik ben vandaag exclusief tot maart verlengd
    een blokdiagram, slungelig, een golf met scherpe kanten
niet iemand om zo ontwapenend op straat tegen te komen

tot slot, ik kan vliegen, heel hoog
als ik mijn armen spreid, mijn ogen sluit
en aan warme lentes denk
    in het midden van mijn hart
en langzaam opstijg

Plannen

ik ga koekjes bakken vanavond ik ga
    naakt midden in mijn kamer met
      mijn kleren om mij heen verspreid
    mijn lichaam met hartjes voltekenen
    watervaste stift in de hand ik
      vul mijn lichaam aan
    val mijn logge lichaam af

terwijl ik voor de oven wacht
impregneer ik mijn lijf met zwarte inkt ik
    ben een meesterbakken ik
    bak ze

dit betekent wat
    er over blijft wordt weggegooid ik
    word een zebra met vlekken, geen strepen

ik lig in mijn hangmat op het strand
tussen de palmbomen met
    vers gebakken koekjes in mijn hand

Onderweg

Ik rijd in de trein van binnen- naar buitenland, ik rijd hard door bij de gratie van rechtgezette wissels. De machinist omhelsde haar man gisternacht stevig, speelde de meerdere.
Ik reis en ik lees een boek. Achter mij wordt Frans gesproken, de rien. Ver voor mij ligt mijn bestemming.
Ik lees een boek, geconcentreerd, kijk op, zie een rotspartij. Hier ben ik gedoopt, de thermen, de juiste zouten vloeien, kristallen schitteren en —
Ik lees een boek, een bos passeert. Hoge loofbomen, vol lof over mijn werkwijze. Ik weet het stiekem wel, voel me alleen zo, zo onzeker, vind de toenadering zo zacht.
Ik lees een boek, het hoofdstuk duurt voort en ik ben razend, werkelijk razend verliefd. Rotspartij, bomen, boeken en aan de horizon een hand.
De vijvers zitten vol leven, schitterende vissen wentelen in de stroom, aan het spit, op mijn bord.
Ik ben ontzettend welgesteld.
Ik reis samen met de wereld die mij nog niet kent. Een sliertje herkenning, en passant, dan is het weer voorbij.

Beloofde land

het meisje wuift haar gezelschap na
van achter
het beslagen vensterglas
wrijft zij over haar dijen

uit de ladekast pakt zij nieuw kant
in verwachting
van een onuitgesproken wens
 

aan tafel heersen strikte regels
voor de dames van stand
maar de meiden van de keuken
die ze na de maaltijd spreekt
praten honderduit met haar

over de beloofde sprookjeshuizen
over goud en platina
en wat zij weet van morgen

Laatst

bij het haardvuur staan je afgetrapte schoenen
in de gang een doorweekte legerjas
de deur naar de slaapkamer halfopen
twee warme lijven op het matras

je bent het meest in tact op vrijdagavond
nadat je de leegte de rug toekeert
en het onopgemerkt, onontkoombaar falen
je gemoedsrust onmogelijk deert

laat haar je helpen je naam te vergeten
in haar tere armen keer je veilig terug
te midden van de maalstroom van verkeer
die zwijgend aan jouw huis voorbij vlucht

Een gesprek tussen moeder en zoon

Van het zolderkamertje kwam een regelmatig gegons. Een vrouw werkte snel en geconcentreerd aan een naaimachine. Naast haar stond haar zoon, gebiologeerd door het voortdurend steken van de naald.
Hij wilde haar over zijn lange nacht vertellen. Het liep al tegen de middag. Hij was zo lang als hij durfde in bed blijven liggen, had zich uitgebreid gedoucht en toen hij zeker was dat er niemand in de keuken was had hij van daar ontbijt naar zijn kamer gesmokkeld.

Zijn moeder keek niet op terwijl ze vroeg, “leuke avond gehad?” Ze had hem gisteren horen binnenkomen, laat, zacht de deur achter zich sluitend en langs haar slaapvertrek naar bed sluipend.
Hij knikte, een bevestiging die meer als inleiding tot ontkenning diende. “Ja, nou ja,” murmelde hij, toen hij besefte dat ze het niet zag.
Lachend keek ze even naar haar zoon, om vlug naar haar naaiwerk terug te keren, zo vlug dat ze zijn twijfel niet zag. Het net zomen van het kleed vereiste al haar aandacht. “Het was goed laat, zo laat als ik het vroeger zelden maakte,” zei ze, met de lach nog hoorbaar in haar stem.
Beschaamd keek hij om zich heen, naar niets, juist om nergens heen te kijken, in verlegenheid gebracht door het feit dat ze hem gehoord had. “Ik trachtte stil te zijn, sorry ma.”
“Het geeft niks. Ik was gewoon nog wakker. Ik ben blij dat je het goed hebt gehad.”