Recent

berichten met de tag 'verdriet'

Blijf

een doffe bons
ik sluit de deur achter me,
  goed voorbereid
knijp ik mijn ogen toe tegen het licht
en de wind wervelt door mijn haar
 — ik ben gigantisch
 — alles omvattend
in mijn klein domein, rijkdom en rijk, mijn wereld,
mijn gedachtenwereld waar ik de heerser ben
dat, juist dat laat ik achter me,
ik zet er een punt achter

in een witte kamer zonder deur klauw ik om me heen
 ik probeer mezelf te graaien
 maar vang alleen maar lucht
is het al pauze?
 ik snak, ik dacht, ik geloofde heilig,
 het was alleen een momentopname, geen nachtenlang gebral, geen vacuum
ik draai, ik wacht,
 zet mij maar op beide benen,
 strand of stad of stal geen voorkeur, zolang ik maar een vaste vloer voel,
 een basis om mijn grootsheid uit te dragen,
  verzucht ik
 met mijn kop in mijn handen

 en ik blijf maar diepvriespizza’s eten op het bed in het hotel
 en ik blijf maar afhaalmaaltijden bestellen op het bed van het hotel
 en ik blijf maar geld betalen
 en blijf maar niets verlangen
 en blijf alleen
en denk aan gisterochtend, ik was vastbesloten en ook dat verdween ineens
ik houd een lege mok in mijn handen, nog warm
 een lege troffee
een vaandel waar ooit twee namen op geschreven waren
en nu nog maar een half

Brak

zo breekbaar
                  brood
waar nodig ver{kap}t
iel, dun
         etsjes
         blauw aangelopen
         druk van buiten
                  naar binnen

voor de volledigheid teken ik aan
   het pakje, Pax Romana,
   het kostuum, het gebruik
      ’s voorwerpsels doel
         lozen, links laten liggen
            (zo klinkt het devies)
         gerichter, rechterschouder als ondersteuning
            (zo beveelt hij
             zo is hij weg)

op het scherm- en schiettoernooi
de hersenactiviteit toonbaar gemaakt
                           gangbaar plots
                           tastbaar
ter discussie geboden, een veiling
   de meester zijn potentie (le kracht
                                    termen in het Frans
                                    en een bril op sterkte ermee)

(week)blaadjes over het seizoen,
grafen en baronnen, meters hooggeplaatste planken, horken
aan wijs^begeerte geen tekort
         [stok]
         tik tik (bom
                  vol overgave
                  hoge verwachtingen
                  wegen het zwaarts)
en liters uitleg – puzzelen over het gevoel (onbenoemd (op)gelaten
                  – wee je gebeente als je het aanraakt)
maar de brekingsindex (glas, lood) blijft

         toe:
            smeekbedes m/v

Ingebrand

Splinternieuw was je auto, felzwart, zichtbaar kostbaar. Je enig kind. We zwaaiden van links naar rechts, tegen het buigen van de weg in, ik in de passagierszetel, jij, zeker, achter het stuur.
De lantarenpalen beschenen je gelaat ritmisch, terwijl jij in een ander ritme heen en weer deinde, schijnbaar op de muziek die toch net in een ander tempo klonk. Je berustte je in de resulterende onregelmatigheid, ik nestelde me in je rust.

De wereld leefde op zijn kant. De steile rotswanden waren lastig te begaan, maar je viel niet honderd meter lager te pletter, dood als je je handen ontspannen wilde, bij een verkeerde ademhaling.
Ik was een aasgier, ik leefde op voorspelde ellende. Ik kantelde gewoon mee toen de boel begon te draaien, spreidde mijn vleugels en vloog een andere vlucht.
Ik zag met name zwart.

Veinzen

na ontelbare slapeloze nachten
ben ik naar buiten getreden
in mijn slaapkledij
weerloos tegen de zwarte lucht

met diep gekloofde voeten
sjok ik over het hete asfalt
mijn hoofd hangt berustend
de veroordeling is onvermijdbaar

ik zuig mijn longen vol
teer op vervolgen hoop op gratie
loos als mijn poging tot beteren
tevergeefs had ik het leven in pacht

met bebloede knokkels vocht ik lang
tegen de onvermoeibare zee
geen slag gaf mij voldoening
zelfs de ondergang liet me koud

ik bid om het branden van een kaars
maar er is geen nabestaande bereid
mij een laatste eer te bewijzen
niemand die mij gedenken wil

drommen mensen komen bijeen
smalend lachen ze om mijn lot
ze dralen om mijn eind te aanschouwen
dat ik betraand aanvaarden zal

Weerzin

Ze wast zich in stilte. Een parelwitte badkuip, staand op gouden leeuwenbeeldjes, biedt ruim plaats. Uit het huis klinkt vioolmuziek. Als haar man nu de trappen op zou komen, de schuifdeuren die toegang tot het dakterras geven openen zou, het zou haar niets verbazen.
Met een klein, kirrend lachje trekt ze de zwarte plastic stop uit het putje. Het overtollig water wordt via de dakpannen door de regenpijpen weggevoerd, aanstormende irrigatie voor het droge noorden.
De leeuwen zetten zich schrap tegen het schuine dak als zij zich aan de rand van het bad omhoog hijst en op haar tenen naar buiten stapt.
Ze wringt haar kleding en haar uit. Schudt zich uit, strijkt langs haar flanken. Dan stapt ze het raam door, de dag in, wulps en plots tegelijk.

De veiligheid in mij

Een terugblik leverde nauwelijks nieuw inzicht op. De weinige ontdekkingen die we deden kwamen klam, als de palmen van onze in elkaar gevouwen handen. Angstig, angstaanjagend, eender en leeg.
Zonder dat er een introductie, een opmaat, of wat dan ook geweest was begon hij. Broeierig weer, op zich was ik het met hem eens.
Zijn manier van zaken aan de kaak stellen had iets ontwapenends, naakt en direct, franje weggelaten en ondanks de scherpte nooit kwetsend. Als je nadacht, althans.

Ik voelde me gesterkt door zijn woorden, tot mij gefluisterd terwijl ik in het openbaar aan zijn voeten zat. De tijd zwierde voorbij en met haar alle vreemde talen en mij ongewone gebaren. Hij bracht het terug tot een kern van betekenis voor mij.
Met die klank nog resonerend, lang voordat hij wrang werd, steeg ik op en had ik ons dak gelegd.
Ik wist dat ik nu de kracht had en in deze lichtflits, in het midden van deze openbaring zag ik helder voor me dat ik altijd hier terug kon keren. Waar ik ook was, de veiligheid die ik zocht was in mij.
Ik zwierde voorbij, een engel voor hem, met vuurrode haren.
Het waren onze betere dagen, met een leesfauteuil, een lessenaar op het grote plein. Tussen de wegwerkzaamheden, in het midden van de bouwput. Fier overeind, hoofd zo gekanteld dat de wind zijn oorlel aaide, net als ik.
Hij sprak rede en werd gehoord. Het begin van een revolutie en iedereen die door hem bezwangerd wilde worden. Hij was alleen van mij, gifgroen en met malende tanden, die broos in de mond uiteenvielen als hij mij sussend toesprak.
De menigte wilde meer.
Het geld stroomde binnen en na niet al te lange tijd telden we schelpen aan de zee. Zout zand klittend in onze haren.

Nu was dat voorbij.
Een dal.

De kleine witte motorboot schampte mijn eenmaster. Het kwam allemaal veel te dichtbij. Ik schreeuwde luid, wenste de agressor tetanus, malaria toe.
Ongedeerd door mijn roepen zwenkte hij eerst naar rechts om vervolgens weer op ramkoers mijn vaarwater trachten te kruisen.
Ik kon de stapels boeken aan bord zien liggen, kon de titels op de natgespatte kaften lezen terwijl zijn schurftige kop weer dichterbij kwam.
Met heel mijn lijf wilde ik hem tot zinken brengen, hij in dat aftandse bootje van hem, en

We lagen in elkaars armen, veel te gecompliceerd. Jaren na dit aannemelijk was, om ons jong te voelen. Volkomen uit ons doen.
In een poging taai te lijken verbeten we ons en ik bedacht me dat hij zich ongetwijfeld opofferen zou. Hij dacht ongetwijfeld hetzelfde, zoals we vaker in ons ongeluk tot een werden.
In de toekomst hadden we niets. Nadat we alles gespendeerd hadden waren we arm.
Na alles uit te geven waren we naakt.

Moeder en kind

in een orderlijk motief
liggen scherven vensterglas
   wijd verspreid
 de bezem in de hoek
 onberoerd gelaten

het kleine kind
 loopt een uitgekiende route
 een afgemeten dans
 langs de brokken,
   naast het gruis

een zware vrachtauto passeert
de luide brom dreunt
 door
schichtig kijkt het
 meisje achterom

en ontspant
vanuit het kookeiland
lacht haar moeder haar toe

 pas na achten laat
 ook zij de schouders hangen
 en wenst ze,
  in een hoek van de
  veel te grote bank
  geschoven
 een nieuw glas wijn

Schuilen in rust

zijn vogels kennen
   geen trek
en wanneer hij
zijn hoofd te ruste legt
ademt ook zij
 zachte wolken in zijn schoot

onder de naalden
   ruist hij
en fluistert zij hem
 haar stuk toe

geborgen draden vallen
 rank van haar
 en schampen zijn armen licht

aan zijn windsels voelend
zoekt hij de schuilplaats op
waar hij haar gedachte
loom in zijn armen wiegt

Wolkendek

Gretig klokte An haar ranja met rum weg. We waren alleen, exclusief voor elkaar, hoog in achting. Thuis, ramen en deuren gesloten. We namen het zekere voor het onzekere. Al deden we er lacherig over, we wisten beiden dat het voor ons bloedserieus was, tot en met de zware gordijnen.
An wond slierten van haar sjaal om haar vinger en ik, ik keek haar recht in de ogen en lachte. Ik was van ons twee het verst van de realiteit verwijderd, maar zij deed graag met mij mee. We probeerden elkaar af te troeven, gewoon als ontspanning.

In search

Number 2 of 3
of English poetry
for my international friends

lost in far-stretching plains
we hunt for a helping hand
“let’s choose to disbelieve,” I boast
she shakes her head silently

I can tell her heart is melting
but she beams with ice cold eyes
as I run my fingers through her hair
and mine too, desperately

“read my lines,” I encourage her
“read what’s written in between”
but as the dusk she fades
and only mutters quietly