Recent

berichten met de tag 'vervreemding'

Kwijt

Zie hier, met voetnoten, een tweedeling
een van de tweeling heeft al lang de benen genomen
alleen een corpus lege woorden is nog te vergeven
één: tegen kost en inwoning
twee: tegen beter weten in
hou ik me vast aan idealen die ik zelf niet onderscheiden kan
  mijn wetenschap, mijn experiment, mijn proeftuin en controlegroep
  alles is in een verpakt – een jasje aan, een badge erop en de voordeur uit, verkopen maar

Te lange nachten en lang waken, kaarsen, angst voor koolstofmonoxide
trillende benen, een vaste stem en bluf waar de praktijk te moeilijk bleek
verstrengeld met een vreemde vrouw in parelwitte dekens, ik wacht tot ze het warm heeft
  ik wacht tot ze verdwijnt en ik mijn handen ergens anders warmen kan, bij een ander mijn jaarringen tellen mag

Stukje bij beetje raak ik mezelf kwijt, ik versplinter
en als ik dan mijn ogen open doe en op de klok kijk
de bezem zuchtend oppak en de scherven opveeg doorzie ik het mozaiek

Ik stel de legpuzzel samen en kijk het resultaat in de ogen – het is een spiegel
ik pak de teugels en keer de kar, hotsen, bonzen, traag keer ik in mezelf
ik dorst naar water of naar wijn maar d ebeker blijft leeg en het meer blijft spiegelglad
  en waar ik ook kijk of om mij heen grijp – ik ontkom niet

Spiegel

Spiegel

Van bed uit

Ze lagen op bed en ademden de geur van de stilte in. Door een raam in het dak zagen ze de sterren scherp afstekend tegen de rest van de nacht.
Een deken beschermde hen tegen de kou van de wereld om hen heen. Zachtjes werden ze naar ’t moment waarop één van hen iets zou zeggen getrokken.
“Als ik,” begon de jongen, maar hij kwam niet verder, en bloosde omdat zijn stem rasperig klonk.
Het meisje draaide haar hoofd naar hem toe en glimlachte. Ze wilde zeggen dat ze ook altijd bang was dat ze vreemd klonk na een tijd zwijgen. Ze deed het niet, want ze wist dat hij begreep wat ze dacht. In plaats daarvan liet ze haar begrip in het ongezegde zweven.

Duizendnegen

Met dodelijke precisie benaderden de hoeken van de treden de negentig graden. Met elke stap omhoog zette ik mijn voet even ver naar voren. Het hout kreunde onder mijn gewicht, een diepe, lijdende jammerklacht, zelfs al had ik mijn zachtste sokken aan en plantte ik slechts mijn tenen neer. Opstandig veranderde het oppervlak naar zacht fluweel en naar schuurpapier, dat zelfs het scheerapparaat dat ik bij me droeg niet tot stoppels kon reduceren. Eelt vormde zich op mijn voetzolen, maar ik klom, mijn tenen openhalend aan de scherpe randen. Ik prees mezelf gelukkig dat er geen sterren vielen. In plaats van direct voor een trapleuning te kiezen, zou ik teveel gaan twijfelen tussen dat en een lonkend glas water. Al met al zou ik tienmaal langzamer vooruit komen.