Recent

berichten met de tag 'water'

Kieuwen en wier

een zeemeermin op doortocht droogt haar schubben op mijn terras
waar de hele stad haar kan zien stralen werpt ze scherven licht
en schrijft een ansichtkaart naar huis

  “kom
  het is hier wonderschoon
  om de dag lapt de glazenwasser de ramen en
  ik zie u graag”

dromerig schiet ik in en uit fase
een modeverschijnsel zonder fundament
een strand uit drijfzand, een ven, zowel zonnen als verdrinken
terwijl mijn sterrenbeeld mij uit het diepe vist en mij in mijn stoel duwt
mij in mijn stoel duwt en zich in een baan om mij heen schikt, een beheerste borstslag, een constant slaan van een staartvin en in mijn handen kieuwen en wier
een planetoïde bij nader inspectie, nooit meer dan puin, kunst, in een regelmatig deinen

hier zit ik dan, stomgeslagen, verbouwereerd, een huls, nog nat en stiekem hoopvol
stamel ik in gebarentaal in het luchtledige
hier sta ik, verslaafd, gelovig, achter de lessenaar, stil

Spiegelglad

in het midden van het spiegelgladde meer drijft een bootje, peddels binnenboort, anker uit
een man in pak met regen in zijn hoofd als kapitein, al dacht hij nooit hier te staan
in zijn volgend leven wordt hij een schelpje, geen weekdier maar een omarming – een zandkorrel, een parel in wording
zodat hij zijn zoon verhalen over de zee en vergeten schepen in zijn oor kan fluisteren

in het midden van de spiegelgladde zee drijft een bootje, roerloos, een stip op haar gelaat
een streepjescode die veranderlijk de nieuwe dag opgetogen groet
een vrouw in haar volle glorie, al dacht zij nooit dit punt te bereiken
ze was eens iemands trots, tot ze erachter kwam dat ze benen had en de wil om zelf te scheppen
zodat ze de kust met rust kon laten en haar carillion naar de goden luiden kan

in het midden van het doolhof ligt een spiegel, een poort naar ontkenning, een glazen bol op wacht
tegen middernacht licht de hemel op en suist er een spreuk die de wereld onderdompelt
de vrouw en de man blijven onafscheidelijk, ook al herkennen ze de ander alleen als ze koosnamen zuchten
en de rivier glinstert zacht, vrij van golven

Zonder kompas

ik heb een bootje op de kop getikt
een bootje voor twee
een scheepje om met jou in weg te varen, ga je mee?

ik wil je haren zien, zien hoe ze dansen in de zon
en aan het einde van een zeemans-dag
langs jouw gezicht over mijn wang strijken

    en als ik dan het douchegordijn wegtrek dat je daar in de mist staat, naakt, in al je complexe vormen
terwijl de tijd wegdobbert
ik smijt het anker en het kompas overboord
wij mogen voorlopig blijven, standvastig, dolen, blijven gissen naar het noorden

dat ik hand in hand met jou op de steven sta, ogen stijf dichtgeknepen
we wachten op een cadeau
(ik zie eilanden samengroeien
ik vang vuurvliegjes in een brokje amber
ik versteen de tijd)

de zee trekt me wel, de stilte, de eenzaamheid
het wegdromen op de golven en tijd exclusief voor jou en mij

    en als ik dan door je haren strijk en alleen maar zeewier vasthoud
in mijn zwemvliezen die ik niet heb
ben ik niet eens rouwig, niet eens teleurgesteld
gewoon een beetje leger dan voorheen

Schip en kade

ver weg een schip dat zinkt
   scherp gesteld op het netvlies

steeds weer verdrinkt de bemanning
   haar schulden
de schatkist leegt ze boven bed
zeil strak gespannen
   voor het geval dat ze haar benen spreidt
   toch winst wil vangen

slecht weer, slecht weer
dobbert de vloot

de verkleurde verf bladdert van
   de dozijnen af, uit hun sponningen
een opstapeling van ideeën torent boven alles uit
een lichtmast speurt en berispt
een plakkaat mosselen en zeeslakken
   elk formaat roest aan het staal

de matroos en meid houden stand
vastbesloten, een zeebeving, toch
hun adem in

de laatste instructies komen bovendrijven
per telegram, per flessenpost
een testament, voor als ze ondergaat
en op haar knieën moeizaam het hoofd heft naar de zon

de barmeid spoelt de laatste pullen
sluit de luiken, de kas, de ogen
voor de pater, schaamrood op de kaken
onder haar rok
er kriebelt een verhaal
een schatkist, onbevangen

In het alles

losjes
het volgende dient losjes voorgedragen te worden

   de kapitein tuurt door gebroken glas
      werk nam hem op sleeptouw
      brug onbemand gedurende de vlucht, slechts de eenling
      met in zijn rechterhand zijn drinkhoorn
   nooit permissie voor uitvaren gevraagd na afwijzing

   gewetenswroeging, eenmaal
   in bed
   de boot woelt onrustig

               verbinden (legato)

      van hogerop komt bevel na bevel
      met goede bedoeling, let wel
      maar de schipper kent alleen zijn eigen sloep
      is slechts kort met de vracht in contact
         het doemt op
         mist als schakel
         een blik van verlangen
         de notie van belang
         en vaart aan alles voorbij

De koning van de zee

in de houten sloep
vloei ik met het eb
de verlaten haven uit

droge spetters verf
op een linnen broek
wapperend in de wind

in de avond
zwerf ik traag
op het draaien
van het tij

en in de ochtend
schreeuw ik luid

Twee peddels

met voorzichtige bewegingen schuif ik ochtendmist opzij
en ontbloot een eilandje rust, stil in de oceaan
     een houten zeilboot is op het strand getrokken
     twee peddels en een shirt liggen in het rulle zand

afwezig staar ik naar het niets omhoog
om een nog niet vervlogen zweem parfum te vinden
     tussen de geuren van de baai zinder je na
     en overspoel je alles met een warme kalmte

op de achtergrond gaat het leven onverschillig door
de boomtoppen fluisteren zacht in de wind met elkaar
     af en toe onderbroken door een echoënde lach
     en vogels die zingend om het luchtruim strijden

Torens

warme armen en ontblote tanden
      receptie voor een bittere ontvangst
ze trekken je haastig over de kantelen
aan boord van een schip dat niet zinken kan

om de fundamenten loopt een kater wacht
tot ridder geslagen voor hij het nest verliet
      hij telt zijn strepen
door zijn bont aan het zicht onttrokken

een nieuwe blinde vlucht vangt ’s morgens aan
blauwgemerkte vleugels spreid je uit en je duikt
het hel verlichte zoetwaterbad in, kin omhoog
maar evolutie komt van onder af

Aan zee

zand stroomt uit
al je lichaamsdelen
kiezen hoeft niet meer
de kans pakt je hand

leegte vult de resonantie
die kalm kabbelend dreigt
de ruimte overstromen

stapvoets ploeg je verder
met her en der een dag
die in duizend harten breekt

Zwarte vijvers

de donkere spiegel vloeit bruisend
van gladgestreken naar eruptie toe
een sprankelend licht verrijst
in een kolom van witte nevels

trillend vouwt de vlam open
en schenkt de maan een zwart kind
met ranke nek schrijt ze dierlijk
naar haar hooggeplaatste pa

haar huis drijft op natte gronden
die de wilgen in rouw nipt steunen
in een hecht gevlochten nest
koestert zij haar nieuwe vlucht